Biomedische studies

De student biomedische wetenschappen [N=80: 58 vrouw (79% natuurkunde 1); 22 man (68% natuurkunde 1); Leiden (loting), Utrecht (loting), UvA en VU.
De student biomedische technologie [N=44: 28 man (75% natuurkunde 1,2); 16 vrouw (56% natuurkunde 1,2); Twente, Eindhoven].

Uitgelote studentes
In de groep vrouwelijke biomedische N&G-studenten zaten de leerlingen met een relatief lage algemene capaciteit, omdat de geneeskundestudie de studenten met een relatief hoge algemene capaciteit uit de groep vrouwelijke N&G-respondenten weg selecteerde. Er is een duidelijk verschil tussen de studies in Leiden en Utrecht - met een eigen numerus fixus, waardoor uitgelote geneeskundestudenten hier niet terecht konden - en de studies in Amsterdam - zonder loting - waar het profiel van de N&G meisjes (zeer waarschijnlijk) bepaald werd door uitgelote geneeskundestudenten met relatief lage eindexamencijfers voor alle vakken, vooral voor Nederlands.
Een mogelijke reden waarom Nederlands een prominente rol speelt in het rijtje van vakken waarin medische studenten beter waren dan anderen zou hier aan het licht kunnen komen. Het is namelijk zo dat de vrouwelijke biomedische N&G-studenten significant vaker meldden dat hun moeder een (groot) deel van haar jeugd in het buitenland had doorgebracht.
Andere verschillen zouden kunnen samenhangen met hun tijdsbesteding in het eerste studiejaar en konden er aan liggen dat een groot aantal van deze leerlingen niet echt gemotiveerd was voor hun studie en het allicht als parkeerstudie beschouwde: Ze woonden nog vrijwel allemaal thuis, besteedden relatief vaak 8+ uur per week aan uitgaan/winkelen, aan surfen op het internet en aan werken voor geld.
In hun studiementaliteit en werkhouding verschilden de vrouwelijke biomedische N&G-studenten in de niet-lotingstudies niet van die in de lotingstudies en hun academisch studiesucces verschilde dan ook niet significant.
Bij de jongens natuurkunde 1 zie je een wat ander plaatje. Hier ging het in de studies in Amsterdam (zonder loting) om een significant aantal studenten met lager opgeleide ouders en een (net niet significant) lagere algemene capaciteit. Deze studenten vonden hun studie duidelijk minder plezierig dan de mannelijke biomedici uit Leiden en Utrecht en deden het ook significant slechter.

Biomedische wetenschappen
De studenten biomedische wetenschappen kwamen van scholen waar een aantal schoolexamens gemiddeld gezien op een relatief hoger niveau lagen dan op andere scholen. Dit was een spiegeling van de geneeskundestudenten die juist van scholen kwamen waar je relatief makkelijk hoge cijfers kon halen (zie geneeskundestudie). De biomedische studenten (ook de mannelijke) gingen in het eerste studiejaar relatief vaak naar (werk)colleges en practica en zeiden ook relatief vaak meer dan 8 uur per week te lezen. Vooral de mannelijke, biomedische N&G-studenten lazen in hun jeugd veel meer dan andere mannelijke N&G-studenten. Verder werkten de biomedische studenten relatief vaak in hun eentje, bereidden hun colleges relatief vaak voor en (vooral de mannelijke studenten) vonden hun studie relatief makkelijk.

Biomedische technologie
Bij de studie biomedische technologie waren duidelijk meer mannelijke en meer N&T-studenten dan bij biomedische wetenschappen, dat betekent dat ze op het vwo voor natuurkunde meer door het belang van het vak voor de toekomst en minder door de cijfers gemotiveerd werden om hard te werken, dat ze minder (!) vaak in hun eentje studeerden en hun studiemateriaal minder goed zeiden te lezen. Ze woonden vaker bij hun ouders (wat alleen bij mannelijke N&G-studenten leidde tot relatief lang pendelen). De mannelijke biomedische technologie studenten gingen (vergeleken bij andere mannelijke studenten) relatief weinig naar werkcollege en practicum. De vrouwelijke studenten kwamen vaker van scholen met uitdagende schoolexamens voor scheikunde 1 (als het om N&G gaat) en scheikunde 1,2 + biologie (als het om N&T gaat). De scholen van de vrouwelijke biomedische technologie N&T-studenten stonden in kleine gemeenten en deze studenten hadden hun natuurkunde- (en waarschijnlijk ook wiskunde- en scheikunde-)lessen in klassen met relatief weinig meisjes.