Opleidingsniveau van de ouders

Kinderen van hoog opgeleide ouders (dus op het niveau van vwo) komen makkelijker op de voor hen ‘juiste’ plaats in het onderwijssysteem waardoor ze beter presteren. Zij kunnen, omdat ze het hoger onderwijs kennen, hun kinderen de nodige intelligentie, (werk)houding, interesse en soms mechanismen om zich in een ‘niet-passende’ omgeving te handhaven aan hun kinderen doorgeven door hun genen, hun opvoeding en hun cultuur.

Het opleidingsniveau van vader ligt (gemiddeld) hoger dan dat van moeder.
Moeders van N&T-vrouwen hebben een hoger opleidingsniveau dan moeders van andere studenten.
Positief gecorreleerd:
- Prestaties.
- Schoolkeuze: hoge eisen.
- Spelen van muziekinstrument.
- Sporten.
- Uit huis gaan.
Prestaties N&G man:
Eindexamencijfers:
Invloed moeder>invloed vader.
Correlaties met opleiding moeder opvallend groot bij:
- natuurkunde, wiskunde en Engels
Academisch Succes:
kleine niet-significante relatie met vader.
Prestaties N&G vrouw:
Eindexamencijfers:
Allemaal grote correlaties (geen verschil vader/moeder).
Academisch Succes:
- kleine significante relatie met vader.
Prestaties N&T man:
Eindexamencijfers + Academisch Succes:
Allemaal kleine correlaties.
Correlaties met opleiding moeder wat groter bij:
- Engels.
Correlaties met opleiding vader wat groter bij:
- natuurkunde + academisch succes.
Prestaties N&T vrouw:
Eindexamencijfers:
Invloed vader>invloed moeder.
Correlaties met opleiding vader opvallend groter bij:
- natuurkunde, wiskunde en Engels
Correlaties met opleiding moeder niet aanwezig:
- Nederlands
Academisch Succes:
kleine niet-significante relatie met vader.

Ik zie een duidelijke correlatie tussen het opleidingsniveau van de ouders en de eindexamenresultaten op de middelbare school en het academisch succes. Op een of andere manier (en dat zal voor elk vak en elke studie anders liggen) kan een hoger opgeleide ouder voor inzet, werkhouding, misschien zelfs inzicht zorgen die studenten in een bepaald vak of in een bepaalde studie missen om goed te kunnen functioneren.

Bij het interpreteren van deze gegevens, moet men in de beschouwing meenemen dat het hier om studenten gaat die geselecteerd zijn doordat ze voor een bepaalde bètastudie kozen en doordat ze mee wilden en konden doen aan dit onderzoek (tot tweemaal toe). Een hoger opleidingsniveau van de ouders ging daarbij samen met hogere cijfers. Echter, je bij geneeskunde (met de selectie op hoge cijfers) toch niet meer meisjes met hoog opgeleide ouders (wel iets meer jongens trouwens). Wat hier namelijk tegelijk speelt is dat hoog opgeleide ouders hun kinderen naar scholen met relatief strenge schoolexamens sturen. Dit is een handicap bij geneeskunde omdat leerlingen daar lagere eindexamencijfers halen dan zou kunnen en daardoor minder kans hebben ingeloot te worden.
Bij de N&T-meisjes in het algmeen gaat het duidelijk wel om dochters van hoger opgeleide moeders. Meisjes kozen eerder natuurkunde 1,2 als hun moeder hoger opgeleid was. Het voordeel van een hoog opgeleide moeder voor hun cijfers (ten opzichte van de jongens natuurkunde 1,2) raakten ze echter kwijt aan het feit dat ze minder goed in de natuurkunde 1,2 klassen pasten. Vooral als in deze klassen zeer weinig meisjes zaten. We komen hier nog op terug. Maar in de huidige situatie waarbij er geen splitsing meer is tussen natuurkunde 1 en natuurkunde 1,2 moeten deze meisjes het (als deze interpretatie klopt) beter doen. Ook bij werktuigbouwkunde zie je dat de vrouwen duidelijk hoger opgeleide ouders hadden dan de mannen, maar ook hier hadden ze (als niet passende minderheid?) lagere studieresultaten. Bij natuurkunde waar de mannelijke en vrouwelijke studenten hoger opgeleide vaders en moeders hebben, zie je ook dat dit vooral de mannelijke studenten ten goede komt. Dit alles verklaart misschien dat de bij anderen toch al kleine correlatie tussen de opleidingsgraad van de vader en het academisch succes bij N&T-meisjes niet significant meer is.

Hier nog ter overdenking een paar eigenschappen die men uit de opvoeding mee kan krijgen en naar mijn mening voor studiesucces van belang zijn:

Dat de angst om de abstractie in te gaan samen hangt met een als veilig ervaren concrete wereld komt wel duidelijk tot uiting in een verhaal wat ik laatst hoorde van een vrouw die in haar jeugd een pleegkind was, zonder veilige wereld. Zij vertelde dat ze in de wiskunde een vaste en zekere wereld gevonden had, die ze in de werkelijkheid moest ontberen.