PCA GENCAP

We nemen in dit onderzoek aan dat de capaciteit van de leerling te meten is met de examens die wij afnemen, zoals proefwerken, practicumverslagen en eindexamens. Het gaat in dit onderzoek dus steeds om een schoolse capaciteit met een exact tintje. De hoogte van een cijfer wordt deels bepaald door de schoolse capaciteit van een leerling voor alle vakken samen (algemeen) en deels door een capaciteit, die de leerling heeft specifiek voor dit ene vak. In het geval van natuurkunde moet je kunnen lezen, schrijven, rekenen en analyseren bijvoorbeeld (algemene capaciteit) en je moet met formules om kunnen gaan (een meer specifieke capaciteit). De scheiding is niet heel nauwkeurig aan te geven. Als je over een heleboel leerlingen samen kijkt, die vergelijkbare toetsen hebben gedaan, dan zou je de gezamenlijke variatie in cijfers kunnen zien als een weerslag van de algemene capaciteit van die leerlingen (ze hebben die allemaal in meer of mindere mate).

De mate waarin het cijfer van een bepaald vak meedoet in de gezamenlijke variatie van mijn variabele voor algemene capaciteit (GENCAP) is te zien in de bovenstaande tabel. Hier zie je dat Scheikunde en Wiskunde B heel sterk samen variƫren en dat in mindere mate Nederlands en Engels mee doen. Dat het cijfer van de onderbouw maar zo weinig meedoet, ligt eraan dat dit maar een vage schatting van dat cijfer was en het dus een wat onnauwkeurige maat is.