Algemene Capaciteit

De zogenaamde 'algemene capaciteit' van de leerling staat in dit onderzoek voor een concept wat samenvalt met een exact getinte capaciteit om goed te presteren in de schoolvakken zoals ze op onze middelbare school aangeboden worden. Deze post is een wat technisch verhaal over de betekenis en de inhoud van deze variabele vanuit mijn data.

Een centrale variabele in dit hele onderzoek is het natuurkunde eindexamencijfer van de leerling. Hoe goed was deze leerling nu eigenlijk in natuurkunde? En vooral: hoeveel invloed heeft de school, de les en de docent op de prestaties van de leerlingen? De vraag is natuurlijk of het natuurkunde eindexamencijfer hier werkelijk een goede maat voor is. Maar binnen de toenmalige mogelijkheden zag ik geen andere maat voor de natuurkunde capaciteit van de leerling dan dit examen. Eigenlijk had ik nog graag de cijfers voor het centraal examen en het schoolexamen apart gevraagd, maar in het contact met studenten bleek al snel dat men al moeite had met het zich herinneren van de totale examencijfers, laat staan van de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen apart. Ook was ik geïnteresseerd in alle andere examencijfers. Echter, zoals al eerder opgemerkt in deze blog - de vragenlijst werd al zo lang en er waren zoveel belangrijke zaken te vragen... Ik heb keuzes moeten maken.

Ik heb de respondenten gevraagd naar hun eindexamencijfer voor Wiskunde B, Natuurkunde, Scheikunde, Nederlands en Engels en heb deze cijfers gecorrigeerd voor verschillen in schoolexamens, zodat ze een nauwkeuriger maat zijn voor de prestaties van de leerling in dat vak. Daarnaast heb ik gevraagd naar een schatting van hun cijfer voor de exacte vakken in de onderbouw. Natuurlijk zijn deze cijfers allemaal sterk gecorreleerd, tenslotte zijn sommige leerlingen gewoon beter in schoolse vakken dan anderen. Dit ‘goed zijn in schoolse vakken’ bleek in de data-analyse een concept wat tevoorschijn kwam met hoofdcomponentenanalyse of principale componentenanalye (PCA) (zie PCA GENCAP). Dit centrale concept heb ik 'de algemene capaciteit' van de leerling genoemd (in het Engels 'general capability' met de afkorting GENCAP). De achterliggende gedachte is dat je kunt differentiëren tussen specifieke capaciteiten voor elk vak afzonderlijk en een algemene capaciteit voor alle vakken samen. Deze algemene capaciteit is dan terug te vinden in de variatie die over een zo divers mogelijke groep vakken correleert. In dit geval dus Scheikunde, Wiskunde B, Nederlands, Engels en het onderbouwcijfer. De grootste invloed is die van de exacte vakken, dus we kunnen hier misschien beter spreken over een 'exact getinte algemene capaciteit', waarin enkele talige vaardigheden uit Nederlands en/of Engels een rol spelen. Naast deze algemene capaciteit zie je in de analyse nog een sterke (residu) correlatie tussen Nederlands en Engels, die wijst op een meer taalgerichte capaciteit bij de leerling (zie PCA GENCAP).

Waar het in dit onderzoek uiteindelijk om gaat, is de variatie in de specifieke capaciteit van leerlingen voor het vak natuurkunde. Deze variatie is het al eerder geïntroduceerde 'relatieve natuurkundecijfer') - het natuurkundecijfer onafhankelijk van de algemene capaciteit van de leerling. We zien in de tabel links dat de algemene capaciteit van de leerlingen een groot deel van de variatie in het natuurkunde eindexamencijfer verklaart (bij jongens natuurkunde 1 iets minder dan bij de rest). Jammer genoeg heeft een individuele docent nauwelijks of misschien wel geen invloed op deze factor. Echter, op het relatieve natuurkundecijfer kunnen we (potentieel) wel invloed uitoefenen en daar zullen we in de maand maart uitgebreid op terugkomen.

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.