De tweede vragenlijst ingevuld

Ongeveer 57% van de oorspronkelijke respondenten, die in het begin van het studiejaar 2008-2009 mijn eerste vragenlijst over het (natuurkunde)onderwijs op de bovenbouw van het vwo hadden ingevuld, heeft aan het einde van het studiejaar gereageerd op een tweede vragenlijst over hun eerste studiejaar. Daarvan gaven 61 respondenten aan gestopt te zijn met de studie. De respondenten van de tweede vragenlijst - ik noem ze hier de diehards - verschilden duidelijk van de respondenten die niet meer meededen aan het onderzoek - de niet-invullers. Uit deze verschillen zijn nog geen definitieve conclusies te trekken, echter er zijn hier zeker punten die om meer analyse en uitwerking vragen.

Het eerste belangrijke verschil is dat de diehards in alle opzichten betere leerlingen waren dan de niet-invullers. Het was natuurlijk ook niet voor niets dat de niet-invullers niet mee deden met de tweede enquête. Een aantal van hen was waarschijnlijk met de studie gestopt. Als je de niet-invullers vergelijkt met de 61 studiestakers, dan zie je geen significante verschillen in prestatie (en ook niet in andere aspecten). Daarentegen verschillen de diehards wel degelijk van die 61 studiestakers. Wel moet gemeld dat onder de 61 studiestakers maar 1 geneeskundestudent zat. Dit is een bekend gegeven, geneeskundestudenten waren (en zijn nog steeds) zo gemotiveerd, en hebben al zo hard moeten werken om aan deze studie te mogen beginnen, dat ze veel minder vaak dan andere studenten afhaken. Ik wil hier dus voorzichtig concluderen dat de niet-invullers voor een belangrijk deel afvallers waren en anders studenten die minder gemotiveerd waren voor de studie en daarmee leken op de studiestakers (in alle opzichten behalve het percentage geneeskundestudenten). Dit neemt natuurlijk niet weg dat er ook niet-invullers waren die op de diehards leken en die om andere redenen niet mee (konden of wilden) doen. Dit waren er echter zo weinig dat ze niet zorgden voor waarneembare differentiatie tussen de niet-invullers en studiestakers. Ik ga er dus vanuit dat de verschillen tussen de niet-invullers en de diehards ons (onder voorbehoud) kunnen wijzen op verschillen tussen de studenten die volhouden in hun studie en de studenten die (potentieel) uitvallen.

De diehards waren dus (gemiddeld gezien) de respondenten met (zeer significant!!) hogere resultaten voor hun eindexamen en betere cijfers op de middelbare school (ook onderbouw). De algemene capaciteit) van de niet-invullers was dan ook duidelijk lager dan die van de diehards. Dit verschil was het duidelijkst bij jongens natuurkunde 1,2. Bij de meisjes (natuurkunde 1 en natuurkunde 1,2) en de jongens natuurkunde 1 ging het alleen om (een aantal) exacte vakken. Let wel, het gaat hier om de selectie door het invullen van een vragenlijst en ik vermoed dat de jongens natuurkunde 1,2 daar gewoon minder zin in hadden naarmate ze minder taalvaardig waren, terwijl dit bij de andere groepen studenten minder speelde.

Dat de betere leerlingen minder snel uitvielen, zal niemand verbazen, maar ik zie ook dat de niet-invullers vaker de relatief jonge studenten waren (dit zie je trouwens ook in de landelijke statistieken over studie-uitval). De vraag is of we deze jonge leerlingen binnen ons vwo-onderwijs wel genoeg kunnen bieden om te zorgen dat ze uiteindelijk de uitdaging, die ze misschien pas op de universiteit krijgen, aan te kunnen. Als we het gaan hebben over de jongens die ‘extreem goed zijn in natuurkunde en daar eigenlijk niets voor hoeven te doen’, zullen we op hun behoefte aan uitdaging terugkomen.

De diehards (jongens en meisjes natuurkunde 1,2) gaven dan ook significant vaker aan dat ze zich uitgedaagd voelden door dingen die moeilijk waren. Dat dit samenhangt met een essentieel ‘doorzettingsvermogen’ voor de studie, blijkt uit het feit dat de 61 studiestakers zich ook significant minder uitgedaagd voelden door iets moeilijks. {Ik zie trouwens alleen bij meisjes natuurkunde 1,2 een correlatie tussen leeftijd en dit gevoel van uitgedaagd worden door iets moeilijks}. Dit doorzettingsvermogen zou verder nog kunnen samenhangen met iets wat je in het uitoefenen van een sport leert. De 61 studiestakers deden namelijk ook weinig aan sport in hun jeugd (maar 66% t.o.v. 81% in beide andere groepen). De in de literatuur al bekende relatie tussen studiementaliteit en sportmentaliteit zal nog uitgebreid aan bod komen.

Dat meisjes natuurkunde 1,2, die de tweede vragenlijst niet invulden, significant minder interessante natuurkundelessen meldden, kan een indicatie geven van een vermoeden dat het gebrek aan interesse voor natuurkunde binnen deze groep leerlingen op een of andere manier in de vervolgstudie van belang kon zijn. Ook bepaalde karakteristieken van de docent bleken er voor deze meisjes (soms zeer significant) toe te doen - structuur, consequent gedrag en de relatie van de docent met de klas (in hoeverre men elkaar echt begreep).

Verder zie je dat de diehard meisjes vaker in klassen zaten met relatief veel meisjes (voor natuurkunde 1,2). Voor deze meisjes zijn de huidige (gemengde) natuurkundeklassen beter. Alleen hoe zit het nu met de jongens? De diehard jongens natuurkunde 1,2 zaten namelijk vaker in klassen met weinig of geen meisjes. Op deze verschillen in behoefte tussen jongens en meisjes natuurkunde 1,2 komen we nog uitgebreid terug.

Bij de jongens natuurkunde 1,2 zie je vooral verschillen als het om hun interesses of hobby’s in hun jeugd gaat. De diehards hadden vaker met constructiespeelgoed gespeeld en lazen(!) ook vaker. En ach, als je minder graag leest, zul je ook minder graag een lange vragenlijst invullen… Al zou ik (als vervent lezer) er ook graag het belang van lezen voor hun studie in zien.

En dan de jongens natuurkunde 1. De diehards hebben hier een significant lager natuurkunde eindexamencijfer dan de niet-invullers met vergelijkbare algemene capaciteit. En ze maakten ook duidelijk meer opgaven voor natuurkunde. Dat dit samen zou kunnen gaan, slechte resultaten - of moeilijkheden ervaren - en veel werken, is al ter sprake gekomen in de post over de lestijd. En later zullen we dat vaker tegenkomen. Deze leerlingen beginnen pas te werken als ze het niet meer snappen. En hier lijkt dus het leren werken van meer belang dan het snappen. Dit kan aan de studiekeuze van deze jongens liggen, maar ook (waarschijnlijk voor een deel van hen) aan het feit dat deze selectie op het invullen van een vragenlijst - en dus veel werk - berust. Verder zie je dat de diehards vaker practicum deden voor natuurkunde en dat kan erop wijzen dat dit practicum, voor deze jongens tenminste, van belang was, al was het maar om ze aan het werk te zetten (zie ook de blogpost over practicum).

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.