Een optimaal zelfbeeld

De relatie tussen werkhouding en prestaties ligt voor iedere persoon verschillend. De verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke respondenten is uitgebreid besproken, maar het moet duidelijk zijn dat de verschillen vooral afhankelijk zijn van de individuele achtergrond van elk van de respondenten afzonderlijk. Het vertrouwen of geloof in de effectiviteit van de eigen werkhouding wordt self-efficacy genoemd. Een zelfbeeld waar we in Nederland geen eigen term voor hebben. In de komende maand beschouwen we een speciale vorm van dit zelfbeeld, namelijk het ‘geloof in eigen studieaanpak’ en dan met name op het gebied van natuurkunde op vwo-bovenbouw-niveau.

Het zal niemand verbazen dat dit zelfbeeld sterk gerelateerd is aan de studieprestaties voor natuurkunde. Dit is verder geen interessante informatie. Het wordt interessant als iemand afwijkt van het normale plaatje. Als iemand bijvoorbeeld een zeer laag zelfbeeld heeft, maar toch heel hoog scoort. Het gaat dan om de ruis rond de normale relatie tussen zelfbeeld en het natuurkunde-eindexamencijfer binnen een groep vergelijkbare individuen. Daarvoor wordt het relatieve zelfbeeld gemeten en berekend analoog aan het al eerder geïntroduceerde relatieve N-cijfer.

Volgens de cognitieve theorie (over self-efficacy) functioneert een persoon optimaal als hij/zij een net iets positiever zelfbeeld heeft dan reëel is. Uit deze theorie blijkt dat er een mate van geloof-in-eigen-aanpak is die optimaal is voor het functioneren van een individu en dat een lager of ook hoger (!) zelfbeeld tot lager dan optimale prestaties leidt. Nu is het natuurlijk vrijwel onmogelijk om te meten wat nu een reëel zelfbeeld is en in hoeverre het zelfbeeld van een leerling daar nu boven of onder ligt. Echter als we binnen een groep van vergelijkbare leerlingen kijken dan moeten we als we het relatief N-cijfer uitzetten tegen het relatief zelfbeeld een optimum zien. Groepen leerlingen die 'vergelijkbaar zijn' zijn hier weer de meisjes natuurkunde 1, de jongens natuurkunde 1, de meisjes natuurkunde 1,2 en de jongens natuurkunde 1,2. In elke groep is een duidelijk optimum in relatieve N-cijfer als functie van het relatieve zelfbeeld (zie figuur).

In de figuur zie je trouwens ook dat een aantal leerlingen (met name in de groep jongens natuurkunde 1,2) een opvallend laag relatief zelfbeeld heeft en toch extreem hoog scoort (hoger dan het gemiddelde in de optimale groep). Dit zijn bij de jongens natuurkunde 1 vaak leerlingen die niets hebben gedaan op school en die via allerlei kunstgrepen vlak voor hun examen (bijlessen e.d.) toch hoge punten halen, maar er is ook iets anders aan de hand. Zie de post over effortless achievement

In de komende maand zal ik me met de volgende vragen bezig houden:
In welke aspecten van het natuurkundeonderwijs verschillen de leerlingen met een optimaal relatief zelfbeeld van leerlingen met een lager of hoger relatief zelfbeeld?
En wat kunnen natuurkundedocenten hiermee in hun lessen?

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.