Het eerste studiejaar

In onderstaand figuur is te zien hoe de werkhouding in het eerste jaar van de bètastudies samenhangt met het academisch studiesucces. Vrouwelijke studenten werken keihard, maar het brengt niet meer op dan het 'strategisch' werken van de mannelijke studenten. In de komende weken het perspectief op intelligentie, ontwikkelingsspychologie en 'mindset' (mentaliteit).

Het gaat hier om twee gekoppelde modellen met bruine gegevens voor de mannelijke studenten, rode voor de vrouwelijke en zwarte voor beiden samen, als er geen significant verschil was. Als een variabele in het rood geschreven staat, betekent dit dat de vrouwelijke studenten significant hoger scoorden op deze variabele dan de mannelijke studenten en bruin andersom.

In tegenstelling tot de algemene capaciteit, zoals eerder beschreven, wordt hier ook het natuurkunde eindexamencijfer in deze variabele betrokken. De mannelijke studenten (die aan dit onderzoek meededen!!!) scoorden in alle vakken hoger op hun eindexamen dan de vrouwelijke studenten. Uitzondering hierop bij wiskunde (waar geen verschil was) en Nederlands (waar de vrouwelijke studenten hoger scoorden). Het lijkt erop dat dit ook de werkelijke populatieverschillen waren, want voor natuurkunde en wiskunde vonden de onderzoekers van TIMSS-advanced 2008 ook een significant verschil bij natuurkunde en geen verschil bij wiskunde. Ik denk dat de hoge scores van de mannelijke studenten bij Engels aan het gamen ligt.

De invloed van de algemene capaciteit op het academisch succes is in het mannelijke model significant groter dan in het vrouwelijke model. Dit betekent dat de variatie in academisch succes bij mannelijke studenten meer van hun capaciteiten afhangt dan bij vrouwelijke studenten. De (hogere) mannelijke capaciteit had dus meer invloed.
In de algemene capaciteit speelden een heleboel zaken mee, zoals intelligentie, opvoeding, interesse, mentaliteit, relaties met anderen (maatschappij, school, gezin) etc. etc. En al deze zaken beïnvloedden elkaar ook nog eens op verschillende manieren. We gaan hier volgende week verder op in.

De algemene capaciteit was in het eerste studiejaar gekoppeld aan de kwaliteit van leren van de studenten. Iets soortgelijks zag je in de modellen voor vwo-natuurkunde - N&G en N&T. De kwaliteit van leren was bij de vrouwelijke studenten duidelijk hoger terwijl de algemene capaciteit bij de mannelijke studenten hoger was. Dit doet vermoeden dat er aspecten aan de kwaliteit van leren waren, die ik niet heb gemeten. Ik denk zelf aan manieren van leren die niet in ons traditionele plaatje pasten. Hier komen we over twee weken op terug.

Ook hier studeerden de mannelijke studenten in kwantiteit minder hard dan de vrouwelijke studenten. Toch had hun werk meer impact. Ook dit wijst erop dat de mannelijke studenten op een of andere manier effectiever werkten dan de vrouwelijke. Maar ook dat de mannen meer risico namen - de 80-20 regel in werking.

Samenvattend: Mannelijke en vrouwelijke studenten verschilden nauwelijks in academisch succes, maar de vrouwelijke studenten zetten zich wel degelijk veel meer in.
Individueel waren er genoeg vrouwen die functioneerden als de mannelijke studenten en andersom ook mannen die functioneerden als de vrouwelijke studenten. Uitzonderingen op de regel zagen we al in de tweede serie posts.

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.