Invloed van capaciteit

De algemene capaciteit was de beste voorspeller van het academisch succes in het eerste jaar van een bètastudie (zie onderstaande figuur die in de post van vorige week al ter sprake is geweest). Deze algemene capaciteit is een gezamenlijke variatie van de eindexamencijfers voor de vakken natuurkunde, wiskunde, scheikunde, Nederlands en Engels. En deze bleek bij mannelijke studenten niet alleen hoger (zie de post over hogere prestaties bij mannen) maar ook van meer invloed op het academisch succes dan bij vrouwelijke studenten.

Bij mannelijke studenten was dus de algemene capaciteit van groter belang voor het studiesucces dan bij vrouwelijke studenten. Je zou kunnen denken dat een hogere capaciteit op zich reden was voor een hogere invloed van die capaciteit op het studiesucces. Dit zou betekenen leerlingen met een grote capaciteit er meer baat bij hadden om hun capaciteit te verhogen dan mensen met een lage capaciteit. Hier heb ik in de literatuur niets over kunnen vinden. Eerder het tegenovergestelde in de 80-20 regel (Paretho's principle): Iets brengt meer op naarmate iemand er minder van heeft.

Het lijkt meer voor de hand te liggen dat mannelijke studenten in hun manier van werken sterker afhankelijk waren van hun (hogere) capaciteit - die capaciteit ook meer inzetten - dan vrouwelijke studenten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het werken op inzicht wat die mannelijke studenten op de middelbare school al meer bleken te doen (zie de post over hun werkhouding). Het werken op inzicht (als voorbereiding op een toets) maakt een leerling sterker afhankelijk van de kwaliteit van dat inzicht en daarmee van hun algemene capaciteit. En als de respondenten hun manier van werken niet drastisch hebben verandert ergens in de overgang van de middelbare school naar de universiteit, zal dit aspect ook in deze data kunnen doorwerken.

Een andere verklaring voor de grotere invloed is dat de mannelijke studenten kozen voor studies waar hun algemene capaciteit van groter belang was voor hun studiesucces (en vrouwelijke studenten dus (wijselijk?) de studies waar ze deze capaciteit minder nodig hadden). De algemene capaciteit in dit onderzoek bestond vooral uit de prestaties in de vakken wiskunde, natuurkunde en scheikunde (geen biologie!). Vakken die meer aansloten bij de traditioneel meer mannelijke studiekeuzes (CBS-jaarboek onderwijs in cijfers, 2009).

Literatuur:
Betz, N.E. & Hackett, G. (1981). The relationship of career-related self-efficacy expectations to perceived career options in college women and men. Journal of Counseling Psychology, 28(5), 399-410. doi: 10.1037/0022-0167.28.5.399
Gill, T. & Bell, J.F. (2013). What factors determine the uptake of A-level physics? International Journal of Science Education, 35(5), 753-772. doi: /10.1080/09500693.2011.577843
Hobéon (2012), Nationaal Sudiekeuze Onderzoek, 2012. De kracht van kennis.
Yestrumskas, A. (2004). Should I choose the harder path? Gender differences in an experiment on task choice.

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.