Invloed van het werken

De KWANTITEIT VAN WERKEN van de mannelijke student had grotere invloed op het studiesucces dan die van de vrouwelijke student (zie het plaatje hiernaast wat besproken is in de post 'het eerste studiejaar'). Ook blijkt de component KWANTITEIT VAN WERKEN in het mannelijke model een significant verschillende samenstelling te hebben dan in het vrouwelijke model. In het mannelijke model wordt het sterker bepaald door het aantal colleges dat men zei te volgen. Dit betekent dat de manier waarop de mannelijke studenten hun (relatief beperkte) studietijd invulden - welke colleges ze besloten niet (!) te volgen - van groter belang was voor hun relatief hoge studiesucces. Ten opzichte van de vrouwelijk studenten was hun beperkte inzet duidelijk effectiever.

Kanttekening

De aspecten van KWANTITEIT VAN LEREN - zie figuur - variëren allemaal samen. Dus iemand die kwalitatief beter leest werkt ook beter op andere vlakken. Echter buiten dit samengaan zie je dat vrouwelijke studenten die kwalitatief beter lezen extra veel gaan lezen en dat mannelijke studenten die kwalitatief beter lezen minder opgaven gaan maken. Hier zie ik een strategie bij de vrouwelijke studenten van 'meer van wat opgedragen wordt, is beter', een meer traditionele manier van leren. En bij de mannelijke studenten een strategie van alleen doen wat (naar eigen inschatting) echt opbrengt (zie ook de volgende post.

De grotere effectiviteit van het werken van de mannen lijkt niet aan de kwaliteit van werken - KWALITEIT VAN LEREN en INZET IN LESSITUATIE - te liggen. De vrouwelijke studenten rapporteerden een hogere kwaliteit van werken in alle variabelen die ik in mijn onderzoek heb gemeten (zie plaatje). De door mij gestelde vragen waren gebaseerd op de eisen die men traditioneel op de universiteit (of eigenlijk op de TU in Eindhoven) stelde aan de werkhouding van de studenten (zie bijvoorbeeld de vragenslijst van Life, Science & Technology). En deze gevraagde werkhouding blijkt hier dus niet zo effectief als men zou verwachten (het is tenminste niet zonder meer 'hoe meer, hoe beter'). Het lijkt erop dat we op zoek moeten naar andere ervaringen tijdens de (werk)colleges en studieactiviteiten die het werk van de mannelijke student zo effectief maakte. Ik denk aan alternatieve vormen van leren zoals het experimenteren via 'trial and error', die moeilijk te meten zijn in een grootschalig onderzoek als de mijne (zie kader).

In de literatuur blijkt het verwerken van informatie op deze wat risicovolle 'trial and error' manier zeer effectief en ook blijkt dat mannelijke studenten hier veel vaker voor te vinden zijn dan vrouwelijke studenten. Je ziet jongens tijdens een practicum ook veel vaker prutsen met de apparatuur - met als gevolg meer schade en onveilige situaties, maar aan de andere kant een grotere leeropbrengst. Dat meisjes dit minder graag doen heeft volgens Heidi Carlone te maken met de neiging van de meisjes om vooral te willen doen wat de leerkracht zegt ('good student identity') en het wordt ook geassocieerd met een neiging in meisjes om risico te mijden.

Het zou dus goed kunnen dat mannelijke respondenten deze alternatieve vormen van leren meer gebruikten dan de vrouwelijke respondenten (die hun tijd besteedden aan de meer traditionele vormen van leren).

Alternatieve (meestal buitenschoolse) manieren van leren, als 'trial and error' kunnen gerelateerd worden aan optimale manieren van leren bij (kleine) kinderen. Peuters, mannelijk en vrouwelijk, blijken als een soort mininatuurwetenschappers te leren 'door te experimenten en statistieken te analyseren, waardoor ze intuïtief wetmatigheden ontdekken op fysisch, biologisch en psychologisch gebied' (Alison Gopnik). Dit blijkt een zeer effectieve, maar ook zeer risicovolle manier van leren. Zolang het kind klein is, is dit risico niet zo'n probleem, omdat de ouders/verzorgers hen nog goed in de gaten houden. Maar in de loop van hun jeugd moet kinderen steeds meer leren hun eigen verantwoordelijkheid te nemen en zullen ze steeds meer risico moeten gaan mijden. Dat dit ‘risico mijden’ zich pas laat ontwikkelt is goed voor het leervermogen van het kind, maar wat onhandig in de schoolse setting. Uit hersenonderzoek blijkt dat deze ontwikkeling bij jongens wat later plaats vindt dan bij meisjes.

Het ideaal zou zijn als elk individu in de loop van zijn/haar ontwikkeling een balans vindt tussen een risicovolle maar (voor natuurwetenschappen) effectieve leerstrategie en een geplande en structurele manier van omgaan met de wereld. In de praktijk blijken mannelijke studenten wat vaker uit te komen aan de risicovolle kant, waardoor ze de meer voorgeprogrammeerde (schoolse) manieren van leren mijden en vaker uitvallen. Terwijl de vrouwelijke studenten de neiging hebben wat ver door te schieten naar de structurele kant, waardoor ze de risicovollere maar effectievere alternatieve vormen van leren mijden en minder goed presteren in de harde natuurwetenschappen.

Literatuur:
Carlone, H. B. (2004). The Cultural Production of Science in Reform-based Physics: Girls' Access, Participation, and Resistance. Journal of Research in Science Teaching, 41 (4), 392-414. doi: 10.1002/tea.20006

Gopnik, A. (2009). The philosophical baby; What children's minds tell us about truth, love, and the meaning of life. Published by: Farrar, Straus, and Giroux
Gopnik, A. (2010). How babies think. Scientific American, 304(6)
Jackson, C. (2002). ‘Laddishness’ as a self-worth protection strategy. Gender & Education, 14(1), 37 – 51. doi: 10.1080/09540250120098870

Jackson, C. & Dempster, S. (2009). ‘I sat back on my computer … with a bottle of whisky next to me’: constructing ‘cool’ masculinity through ‘effortless’ achievement in secondary and higher education. Journal of Gender Studies, 18(4), 341-356. doi: 10.1080/09589230903260019

Jha, J., & Kelleher, F. (2006). Boys underachievement in education: An exploration in selected common wealth countries. Retrieved from: www.thecommonwealth.org/publications.

Laws, P. W. (1997). Millikan Lecture 1996: Promoting active learning based on physics education research in introductory physics courses. American Journal of Physics, 65, 14-21. doi: 10.1119/1.18496

Meltzer, D. E. & Thornton, K. E. (2012). Resource Letter ALIP–1: Active-Learning Instruction in Physics. American Journal of Physics, 80, 478-496. doi: 10.1119/1.3678299

Sander, L. (2012). Colleges Confront a Gender Gap in Student Engagement. The Chronicle of Higher Education, October 29, 2012.

Younger, M., Warrington, M. & Mclellan, R. (2002) ‘Under-Achieving Boys’: Some Responses From English Secondary Schools, School Leadership & Management: Formerly School Organisation, 22(4), 389-405. doi: 10.1080/1363243022000053411

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.