Karakteristieken

Derde column in de NVOX in maart 2015.
De bètastudenten die mee deden aan mijn onderzoek, deden allemaal een academische studie waarvoor natuurkunde verplicht was. Aan het einde van hun eerste studiejaar hebben zo’n 1600 van de oorspronkelijk 3230 respondenten een vragenlijst over hun eerste studiejaar ingevuld, met onder andere vragen over tijdsbesteding, motivatie, studiehouding en studieresultaten.

De geneeskundestudent - gemotiveerd en hard werkend.
Als je de data van de geneeskunderespondenten - het waren er 469, 80% vrouwelijk, van zeven faculteiten - vergelijkt met de data van de rest van de respondenten blijkt dat deze geneeskundestudenten significant gemotiveerder waren. Ze vonden hun studie plezieriger en interessanter en ook relatief makkelijker. Echter, hun motivatie blijkt vooral uit hun werkhouding. Op de middelbare school - die significant vaker dan bij anderen een gymnasium was - werkten deze leerlingen veel harder voor natuurkunde (bij 78% van hen ging het om natuurkunde 1). Dit ‘harde werken’ was vaker om de cijfers (loting!) en veel minder vaak omdat ze het nut van het vak inzagen. Ook in het eerste studiejaar was hun werkhouding significant beter - ze gingen vaker naar (werk)colleges en practica - en besteedden over het algemeen ook meer tijd per dag aan hun studie. Ook gaven ze aan actiever en geconcentreerder te leren binnen en buiten de colleges en zich ook beter voor te bereiden.

Al met al waren de geneeskundestudenten tevreden met hun eigen studiementaliteit, die op de middelbare school de nodige hoge eindexamencijfers opleverde, maar die hen op de universiteit niet beter deed presteren dan anderen. De geneeskundestudenten vulden in zelfstandiger te zijn, relatief vaker individueel te werken en vaker te snel te denken het wel te snappen. De zelfstandigheid (en misschien ook een bepaalde mate van volwassenheid - het zijn relatief gezien oudere studenten) zie je terug in hun tijdsbesteding. Opvallend veel geneeskundestudenten woonden op kamers en waren meer dan 8 uur per week kwijt aan een vaste relatie, aan het huishouden en/of aan sport. Zoveel tijd voor computer(spelletjes) was er bij alleen bij een enkeling.

De natuurkundestudent en de werktuigbouwkundestudent.
Als je de data van de natuurkunderespondenten - het waren er 129; door de extreem hoge respons van natuurkunde 1,2 meisjes was 22% vrouw; op acht faculteiten - en de werktuigbouwkunderespondenten - N=126; 6% vrouw; op drie faculteiten - vergelijkt met de data van de andere respondenten, zie je een heel ander beeld. Beide groepen respondenten deden het op het vwo relatief goed voor natuurkunde ten opzichte van de rest van hun vakken. Op de middelbare school werkten ze nauwelijks aan natuurkunde, wat hen typeerde als jongens - en in mindere mate meisjes - N&T (vrijwel 100% deed natuurkunde 1,2). Als deze respondenten aangaven (minimaal) te werken, werden ze daartoe gemotiveerd door ‘het makkelijk zijn van het vak’ en door het ‘belang van het vak voor hun toekomst’. Toch zijn er op de middelbare school ook al verschillen tussen de toekomstige natuurkunde en werktuigbouwkunde studenten te zien. Zo haalden de natuurkunderespondenten over de hele linie hogere cijfers en lijken ze uit een ander milieu te komen dan de werktuigbouwers; hun ouders (vooral die van de meisjes) waren significant hoger opgeleid dan de ouders van anderen en bij de werktuigbouwkundigen juist significant lager. In hun eerste studiejaar werkten relatief veel werktuigbouwkundigen (34%) en relatief weinig natuurkundigen (13%) meer dan 8 uur/week voor (extra) inkomen. Wijst dit alles op een betere uitgangspositie voor de natuurkundigen?

Het lijkt erop dat de natuurkunderespondenten op de universiteit eindelijk de uitdaging vonden die zij nodig hadden om aan de slag te gaan. Aan de technische universiteit zie je een klein verschil tussen de natuurkunde- en de werktuigbouwkunde student. Aan de algemene universiteit gingen de natuurkundigen echt harder aan de slag. Alle natuurkundigen - de technische iets minder dan de algemene - haalden op de universiteit ook betere resultaten. Werktuigbouwkundestudenten leken vaker dan anderen teleurgesteld te zijn in hun studie, besteedden er relatief weinig tijd aan en waren ook zelf ontevreden over hun studiehouding.

Als studiebegeleider bij werktuigbouwkunde op de TU/e zag ik indertijd de problemen van de ‘betere’ studenten die op het vwo niet hadden hoeven leren hoe ze moesten werken voor de natuurkundevakken of voor het struikelvak ‘Calculus’. De ‘echt’ goede studenten zag je amper, die kozen voor (technische) natuurkunde. De loting bij geneeskunde selecteerde studenten op hun motivatie om hard te werken. Zo heeft men op elke faculteit een eigen beeld van de Nederlandse bètastudent.

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.