Kwaliteit van leren

De kwaliteit van leren van de leerlingen (zie kader) nam duidelijk toe naarmate hun algemende capaciteit (zie kader) ook toenam. Dit hebben we eerder in de maand in de twee modellen voor N&G-natuurkunde en N&T-natuurkunde ook al gezien. In deze nieuwe analyse worden de verbanden wat duidelijker (jongens natuurkunde 1; jongens natuurkunde 1,2; meisjes natuurkunde 1; meisjes natuurkunde 1,2)

De kwaliteit van leren van de leerling of in dit onderzoek de component KWALITEIT (zie de vorige post) bestaat vooral uit de frequentie waarop de leerling zei op inzicht te werken voor de toets, wat samen hangt met de mate waarin de leerling zei effectief te werken voor natuurkunde. Dit ging weer samen met een zich uitgedaagd voelen, als het moeilijk werd en meer verplichte opgaven die de leerling ook echt maakte. Dat ook het aantal begrepen lessen deel uitmaakt van deze component, geeft aan dat het hier om leerlingen gaat die met een beter begrip voor natuurkunde werkten. De kwaliteit van het begrip en het inzicht waarmee gewerkt werd kon ik jammer genoeg niet op een meer directe manier meten.
De algemene capaciteit van de leerling of in dit onderzoek de CAPACITEIT is dat deel van het schoolse presteren wat in meerdere vakken (m.n. Scheikunde, Wiskunde, Nederlands, Engels en de exacte vakken in de onderbouw) tot uiting komt. Ook een groot deel van het natuurkunde eindexamencijfer werd door de algemene capaciteit van de leerling bepaald. De variatie in het natuurkunde eindexamencijfer, wat niet door de algemene capaciteit werd bepaald, noemen we hier het relatief natuurkundecijfer (relatief N-cijfer).
Zoals in het kader hiernaast ook beschreven wordt, is het niet verwonderlijk dat de KWALITEIT van leren toenam naarmate de algemene capaciteit toenam. In de nieuwe analyse zie je dat ook het relatief N-cijfer toenam naarmate de KWALITEIT van leren van de leerling toenam.
Waren de hogere prestaties voor natuurkunde het gevolg van de aanpak van de leerlingen, die misschien zo werkten omdat de docent dat hen aanleerde? Of hadden de leerlingen aanleg speciaal voor natuurkunde waardoor ze de mogelijkheid haden om effectief op inzicht te leren? Of hadden zij de durf om binnen natuurkunde uitdagingen aan te gaan, waarmee ze meer lessen begrepen en dus ook hogere examencijfers haalden?
Dat je binnen elke groep leerlingen met uiteenlopende docenten dezelfde relatie ziet tussen KWALITEIT en prestaties lijkt de eerste optie tegen te spreken. Dus we moeten er rekening mee houden dat deze KWALITEIT van leren buiten de invloedsfeer van de docenten viel. Echter het er is één uitzondering. De minder-VRIENDELIJKE en minder-AUTORITAIRe docent bij de jongens natuurkunde 1.

Waar KWALITEIT en relatief N-cijfer in elke groep leerlingen en bij elke soort docent zeer significant correleerden zie je bij jongens natuurkunde 1, die een ‘onVRIENDELIJKE’ ‘nietAUTORITAIRE’ docent zeiden te hebben gehad, geen enkele correlatie. {Ik heb het nog eens goed nagecheckt}. Hier zie je dat het normale patroon doorbroken wordt. De jongens natuurkunde 1 zeiden wel degelijk KWALITATIEF beter te werken naarmate hun algemene capaciteit toenam, maar dit bracht hen op het eindexamen niet veel op. Dit resulteerde in een lager relatief N-cijfer dan jongens natuurkunde 1 bij andere docenten.
Dit ‘niets opbrengen’ kan voor een deel samenhangen met het feit dat deze jongens naarmate ze een hogere algemene capaciteit hadden veel minder gingen werken (KWANTITEIT). Echter dit mechanisme van minder hard werken naarmate je beter bent in natuurkunde trad bij veel leerlingen op zonder dezelfde gevolgen.
Het ‘niets opbrengen’ kan echter ook betekenen dat het inzicht en het begrip dat deze jongens dachten te hebben van slechte kwaliteit was. Ofwel het kan zijn dat deze jongens natuurkunde 1 dachten meer te snappen dan ze eigenlijk deden.
KLASSIKALE lessen konden (onafhankelijk van de algemene capaciteit van de leerling) dit begrip zo verbeteren dat een sterk (!) positieve correlatie tussen KLASSIKAAL en relatief N-cijfer te meten was. De PRAKTISCHE aspecten van die lessen en het vasthouden aan de METHODE - meer naarmate ze een hogere algemene capaciteit hadden - stonden het overbrengen van het juiste begrip juist in de weg.

Geen wetten van Meden en Perzen als het om goed en effectief onderwijs gaat. Maar wel een voorzichtige aanbeveling om bij de uitleg soms eens wat verder van de methode af te wijken (vooral bij leerlingen met een wat hogere capaciteit die gaan werken naarmate ze een en ander minder goed begrijpen). Maar zorg dan dat je de METHODE voor andere leerlingen, zeker die met een wat lagere capaciteit, toch nog een beetje in zicht houdt.
En het praktisch werk met mate (zoals we ook al in de post over het practicum zagen).

Het wordt steeds duidelijk dat er geen ideale les bestaat, maar dat elke leerling andere behoeftes heeft. Niet gemakkelijk nu alle vier de subgroepen samen in de les zitten. En zeker niet gemakkelijk als je ziet dat klassikaal lesgeven echt wel voordelen heeft… In juni gaan we hier verder op in.

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.