Motivatie

Het belangrijkste verschil tussen leerlingen met een laag relatief zelfbeeld (LRZ) en leerlingen met een optimaal relatief zelfbeeld (ORZ) is hun motivatie om zich in te zetten voor natuurkunde.

Motivatie om te werken

Figuren

LRZ = Lager dan optimaal Relatief Zelfbeeld.
ORZ = Optimaal Relatief Zelfbeeld.
HRZ = Hoger dan optimaal Relatief Zelfbeeld.
(zie ook een optimaal relatief zelfbeeld).

Het relatief N-cijfer is het natuurkunde eindexamencijfer ten opzichte van de algemene capaciteit van de leerling.

Bovenstaande grafiek laat zien dat naarmate het relatief zelfbeeld (tot het optimum) toeneemt leerlingen ook echt harder werkten, vaker op inzicht leerden en vaker uit het hoofd leerden.
Gedemotiveerde meisjes – natuurkunde 1 en natuurkunde 1,2 - werkten, gemiddeld gezien, ongeveer even weinig. Naarmate de motivatie toenam, gingen de meisjes natuurkunde 1,2 niet zozeer meer tijd aan natuurkunde besteden, zoals de meisjes natuurkunde 1, maar ze gingen zich meer toeleggen op inzicht en minder op uit het hoofd leren en gingen daarmee steeds meer op de jongens natuurkunde 1,2 lijken. Beide groepen meisjes vonden dat ze harder waren gaan werken naarmate ze gemotiveerder waren en bleven dat vinden ook naarmate hun inzet minder effectief werd en ze in het gebied van een hoger dan optimaal zelfbeeld kwamen.
Significant

Alleen verschillen, die met 99% zekerheid niet toevallig zijn, worden in de grafiekjes vermeld. Of anders alleen verschillen die bij 2 of meer groepen met 95% zekerheid niet toevallig zijn. Normaal wordt de grens gelegd bij 95% zekerheid, maar als je zoveel variabelen vergelijkt, heb je met deze grens een grote kans dat je onterechte verschillen claimt. In de tekst zal ik soms toch informatie geven over minder significante verschillen, omdat die toch van belang kunnen zijn om een tendens te ontwaren. Het gaat hier dan natuurlijk om een subjectieve inschatting van de waarschijnlijkheid dat een statistisch verschil betekenis heeft.

Gedemotiveerde jongens natuurkunde 1 lijken in de weinige tijd die ze aan natuurkunde besteedden toch opvallend veel van hun huiswerk af te hebben gemaakt (of claimden ze dat alleen?). Het verschil tussen gedemotiveerde en gemotiveerde natuurkunde 1 jongens was opvallend klein. De kleine toename van inzet naarmate het relatief zelfbeeld toenam loopt hier ook iets door in het gebied van een te hoog relatief zelfbeeld, maar dit blijft wat onduidelijk. Ik wil dus voorzichtig zijn met het trekken van conclusies over deze groep leerlingen. Misschien gaat het hier helemaal niet om een verschil in motivatie. Opvallend is namelijk dat de jongens natuurkunde 1 in dit lager dan optimale gebied een groter deel van de verplichte opgaven maakten dan de andere groepen gedemotiveerde leerlingen en dat hun demotivatie niet uit desinteresse lijkt voort te komen (zie verderop). Het is waarschijnlijker dat dit jongens waren die het idee hadden dat werken meisjesachtig is.
Gemotiveerde leerlingen zeiden in alle groepen ongeveer even vaak op inzicht te leren (bijna evenveel als de jongens natuurkunde 1,2) alleen bleven de jongens natuurkunde 1,2, ook als ze gedemotiveerd waren, nog best veel op inzicht leren.
Uit het hoofd leren deden jongens natuurkunde 1,2 nauwelijks. Niet als ze een optimaal zelfbeeld hadden en al helemaal niet als lager of hoger (!) dan optimaal zelfbeeld hadden. Jongens die goed zijn in natuurkunde stimuleren om wat meer uit hun hoofd te leren kan dus nooit kwaad…

Motivatie en de docent

De figuur laat zien dat motivatie voor alle groepen leerlingen gerelateerd was aan de mate, waarin hun docent de lessen in de hand hield (wat ik eerder autoriteit genoemd heb) en dan vooral aan het bieden van structuur. Hier zien we dan eindelijk een duidelijk positieve relatie tussen de autoritaire docent (en in mindere mate ook de vriendelijke docent) en de resultaten van de leerlingen bij het eindexamen. Alleen zie je dat een docent (vooral voor meisjes natuurkunde 1) ook te plezierig en te enthousiast kan worden.

Motivatie en de lesactiviteiten
Opvallend is hier dat vooral de gedemotiveerde meisjes minder vaak interessante lessen rapporteerden dan gedemotiveerde jongens. Ook rapporteerden de meisjes natuurkunde 1 de laagste scores in autoriteit van de docent en in motiverende en steunende lesaspecten (huiswerk opgeven, demonstraties geven en het gebruik van het lesboek). Het lijkt erop dat deze meisjes natuurkunde 1 voor hun motivatie extra afhankelijk waren van hun docent (dit is een conclusie die in de literatuur getrokken wordt). Maar ik vermoed dat het er ook aan kan liggen dat veel meisjes natuurkunde 1 het vak alleen kozen omdat het verplicht was voor de medicijnenstudie. Ze waren dan erg moeilijk te motiveren en als het niet lukte waren ze ook extra negatief over de lessen en de docent.
Frequenter practicum had alleen bij jongens natuurkunde 1,2 een positieve invloed op hun prestaties. Vaker practicum geven en enthousiast zijn over je vak (en dan waarschijnlijk ook eens uitwijden over zaken die niet in het curriculum aan de orde kwamen) zorgden er voor dat deze jongens harder werkten en daardoor optimaler presteerden (zie ook de eerdere post hierover)

Motivatie en de achtergrond van de leerling
Leerlingen met een hogere algemene capaciteit hadden vaker een optimaal dan een lager relatief zelfbeeld. Deze leerlingen waren dus makkelijker te motiveren.
Meisjes die (een deel van) hun jeugd (of waarvan de ouders hun jeugd) in het buitenland hadden doorgebracht waren minder makkelijk te motiveren dan andere meisjes. Ik ga ervanuit dat het hier bij natuurkunde 1 vooral om allochtone meisjes ging (met misschien een vooroordeel dat deze meisjes ook minder sporten). Maar het kan ook om dochters van expats gaan.
Bij de jongens natuurkunde 1,2 waren de jongens die met constructiespeelgoed speelden makkelijker te motiveren dan jongens die dit niet deden.

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.