Geslacht en studiekeuze

De verhouding meisjes-jongens in mijn 'steekproef' is vrijwel 50-50. In deze post meer over de groep respondenten: leerlingen uit het eindexamenjaar 2008 die voor natuurkunde relatief goed presteerden bij het eindexamen (gemiddeld ruim boven de 6.5).

De eerste vragenlijst is in september 2008 naar ongeveer 9 000 bèta-eerstejaars van tien verschillende universiteiten gestuurd. Uiteindelijk hebben 3230 van deze studenten gereageerd, waarvan er 2677 in 2008 in Nederland eindexamen hadden gedaan. Dit waren 1450 jongens (54%) en 1220 meisjes (46%). Dus ja, bijna 50-50... Kort door de bocht: meisjes kozen biomedische studies en jongens techniek.

In die tijd was er nog de splitsing in het totaalvak natuurkunde 1,2 (advanced physics) en het deelvak natuurkunde 1 (regular physics). Dit heeft het voor mij mogelijk gemaakt om op een makkelijke manier verschillende subgroepen van leerlingen te vergelijken.

De respons van meisjes natuurkunde 1 en jongens natuurkunde 1,2 was duidelijk het grootst. Meisjes waren toen sterk ondervertegenwoordigd bij N&T. Jongens natuurkunde 1 gingen gewoon niet vaak door in het bètawetenschappelijk onderwijs en deden al helemaal niet graag mee met een onderzoek waar ze een veel te lange vragenlijst voor moesten invullen. Gelukkig heeft (naar schatting) 75% van de meisjes natuurkunde 1,2 wel de moed gehad om de hele lijst in te vullen, waardoor ik nog genoeg data had voor de statistiek.

De verdeling over de scholen was heel breed. Van vrijwel elk van de ruim vierhonderd scholen met natuurkunde op vwo-niveau had tenminste één leerling gereageerd. Daar staat tegenover dat het er ook maar maximaal een stuk of tien, twintig per school waren. De grote uitschieter naar boven was het Stedelijk Gymnasium in Leiden met 27 respondenten. Dit was toen ook de school met absoluut gezien de meeste natuurkundeleerlingen in de bovenbouw.

Hieronder de respons verdeeld over de verschillende faculteiten:












De aantallen in deze plaatjes geven de respons weer en zeggen weinig over het werkelijk aantal studenten per studierichting. In Nederland waren toen bijvoorbeeld meer bouwkunde dan natuurkunde eerstejaars. De elf studierichtingen met minder dan 30 respondenten heb ik weggelaten. Hier een tabel met een volledige lijst van aantallen.

Veel van de verschillen in respons kunnen verklaard worden door verschillen in inzet van mijn contactpersonen aan de faculteiten. De grootste inzet was bij tandheelkunde in Amsterdam en biomedische technologie in Twente waar het invullen van de vragenlijst verplicht werd gesteld. Aan de andere kant van het spectrum het kleine (!) aantal contactpersonen, dat erop vertrouwde dat de studenten wel zouden reageren op ‘mijn’ mail van de algemene studentenadministratie. Al met al is een respons van ruim 30% uitzonderlijk groot voor een zodanig grootschalig onderzoek! Met dank aan (80!) contactpersonen en de medewerking van 9 studentenadministraties en natuurlijk de studenten zelf. Jammer genoeg deden Wageningen en Nijmegen uit principe niet mee en is er met Maastricht ergens op het eind iets mis gegaan in de communicatie. De faculteiten die vanuit Nijmegen mee hebben gedaan, hebben een en ander via de eigen studentenadministratie geregeld.

Ik heb van een aantal administraties min of meer betrouwbare, geanonimiseerde informatie gekregen over de betreffende studentpopulaties. Uit de vergelijking van data kon ik opmaken dat meisjes net iets vaker reageerden dan jongens en dat de motivatie om te reageren hoger werd naarmate men beter was in natuurkunde.

Al met al ging het hier duidelijk om de betere natuurkundeleerlingen uit de toenmalige vwo-bovenbouwklassen.

Dit alles leidt tot min of meer subtiele verschillen tussen wat leerlingen gemiddeld zoal op school meemaakten en wat deze groep respondenten zeggen te hebben ervaren. Waar die verschillen relevant (en voor mij te detecteren) zijn, zal ik ze natuurlijk bespreken.

Terug naar de post