Relatief natuurkundecijfer


De algemene capaciteit van de leerling bepaalt 56% van de variatie in het eindexamencijfer voor natuurkunde (N-cijfer). Daarmee is de algemene capaciteit de belangrijkste voorspeller voor het N-cijfer in dit onderzoek. De rechte lijn in de grafiek hiernaast kun je zien als het 'normale' verband tussen N-cijfer en algemene capaciteit. Voor ons is vooral de variatie rond deze 'norm' van belang, want die laat zien welke leerlingen het relatief goed doen voor natuurkunde en welke leerlingen het relatief slecht doen voor natuurkunde. Allicht kunnen we met deze variatie rond de norm conclusies over 'goed' natuurkundeonderwijs trekken.

De sterke correlatie tussen het N-cijfer en de algemene capaciteit zie je ook terug in de hoge correlaties in de tabel hiernaast. Een respondent deed het relatief goed voor natuurkunde als ze een hoger N-cijfer haalde dan volgens de normlijn bij haar algemene capaciteit paste. Omdat de 'norm' binnen de verschillende subgroepen verschillend lag, heb ik voor elke respondent de afstand tussen zijn/haar examencijfer en het voor hem/haar subgroep 'normale' examencijfer berekend en gestandaardiseerd. Dit is het al eerder geïntroduceerde 'relatieve natuurkunde-examencijfer'.
Met een perfect lineair verband tussen N-cijfer en algemene capaciteit zou de grafiek hiernaast (relatief eindexamencijfer uitgezet tegen de algemene capaciteit van de leerlingen) een horizontale optimale fitlijn moeten laten zien. De afwijkende vorm van de (rode) optimale fitlijn in deze grafiek zie je in elke subgroep terug - bij jongens natuurkunde 1,2 nauwelijks en bij jongens natuurkunde 1 het meeste. Het heeft te maken met een uit de literatuur al langer bekend feit, namelijk: Leerlingen ondervinden meer invloed van de docent naarmate ze een lagere capaciteit hebben (op de schaal van vmbo tot vwo). Vooralsnog is het uit deze data alleen duidelijk dat de correlatie tussen algemene capaciteit en N-cijfer groter is (en daardoor de invloed van het onderwijs kleiner) naarmate de algemene capaciteit hoger is. We komen op de invloed van de docent in de komende twee weken op terug.

Buiten de oorzaken voor de vreemde fitlijn binnen ons onderwijs kan ook meespelen dat leerlingen met een lage capaciteit eerder op natuurkunde 'afvallen' dan leerlingen met een hoge capaciteit. De oorzaken van dit 'afvallen' kan men dan zoeken in het zakken voor het eindexamen vooral op natuurkunde, in het minder snel kiezen van een exacte wetenschappelijke studie (ook weer met een beslissende rol voor natuurkunde) en in de relatief lage motivatie om aan dit onderzoek mee te doen bij respondenten met een al lage algemene capaciteit en daarbij nog extra lage cijfers voor natuurkunde. De eerste twee oorzaken definiëren natuurkunde als struikelvak (wat het vak voor meisjes met lage algemene capaciteit vaak was). De laatste oorzaak zou van toepassing kunnen zijn op jongens natuurkunde 1, waarvan er relatief weinig meededen aan dit onderzoek (zie de post hierover).

Het relatieve natuurkundecijfer is een geschikte variabele om min of meer direct de kwaliteit van het natuurkundeonderwijs te meten. Deze variabele is al eens gebruikt om het 'onzichtbare' effect van practicum zichtbaar te maken en in de volgende twee weken gaan we 'kijken' naar het tot nu toe 'onzichtbare' effect van de docent en het 'onzichtbare' effect van de werkhouding van de leerlingen.

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.