Werktuigbouwkunde

Kwartjes die altijd kwartjes blijven.

De werktuigbouwkundestudent was een goede mannelijke N&T-leerling, die op de middelbare school veel op de toekomstige natuurkundestudent leek, maar die toch duidelijk minder succesvol was in zijn studie - minder succesvol dan de wis- en natuurkundigen en zelfs nog dan de technisch natuurkundigen (zie de eerdere post hierover). Ze zaten ook niet zo op hun plaats als veel van de biologen van vorige week met hun positieve studiekeus vanuit interesse en hun aangepaste studiementaliteit. Of als de bouwkundigen, waarvan velen hun creatieve talenten (meest, maar niet altijd, in de zin van tekenen en handvaardigheid) in hun studie mochten uitleven en die zich niet lieten demotiveren (om hard te werken) door hun lage punten, voor natuurkunde op de middelbare school en in hun eerste studiejaar. Of als de industrieel ontwerpers, die nog meer dan bij bouwkunde op hun creatieve talenten werden aangesproken. Als de werktuigbouwkundigen hun studie kozen omdat ze daarin hun praktisch inzicht in de techniek (opgedaan of tenminste gevoed door het spelen met constructiespeelgoed) zouden kunnen botvieren, dan kwamen ze al snel van de koude kermis thuis, met struikelvakken als calculus en mechanica. Als voormalig studieadviseur bij werktuigbouwkunde op de TU/e, heb ik heel wat studenten langs zien komen die weinig of geen interesse in hun studie konden opbrengen, omdat ze bleven steken op de theoretische vakken, waar ze gewoon niet de interesse en dus ook niet de nodige (priori)teit/tijd voor hadden. Veel van deze studenten vertelden dat ze de studie hadden verkozen boven hbo-werktuigbouwkunde “omdat ze nu eenmaal vwo hadden gedaan” en dus op dit niveau verder dachten te moeten gaan. Maar plezier in hun studie… nee.

Iets waar ik in dit onderzoek steeds maar weer tegenaan loop is dat de natuurkundedocenten zo weinig invloed op de natuurkunde-eindexamencijfers van de leerlingen blijken te hebben gehad (zie ook het laatste deel van de post over de algemene capaciteit van de leerlingen). Geleid door het feit dat de betreffende werktuigbouwkundestudenten duidelijk minder hoog opgeleide ouders hadden, ben ik op zoek gegaan naar de zaken die ik kan vinden die samenhangen met het opleidingsniveau van de ouders. Hieronder een stelling die ik met mijn data wil onderbouwen (maar zeker niet bewijzen). In de komende posts zal deze stelling op de achtergrond meespelen en soms alternatieve interpretaties van mijn data mogelijk maken die allicht kunnen helpen om een aantal mechanismen in ons onderwijs te begrijpen. Geen wet van Meden en Perzen dus, maar een aspect in onze samenleving wat zeker invloed heeft op het functioneren van de natuurkundedocent en vaak ook op het (zelf)oordeel over deze docent (en zijn machteloosheid).
De aangeboren en (in hun sociale omgeving) opgedane eigenschappen van de vwo-leerling bepaalt voor een zeer groot en belangrijk deel de prestaties van deze leerling (voor natuurkunde). Het leerproces is een vorm van differentiatie waarbij de leerling steeds meer op de ‘juiste’, bij zijn/haar vorm passende, plaats komt. Dit proces wordt bepaald door leerling-keuzes en maatschappelijke selectie. Het oordeel (in cijfers maar ook op heel andere manieren) dat de school (als gemeenschap) uitdraagt naar de leerling toe weerspiegelt vooral de mate waarin de leerling zich in zijn of haar keuze heeft aangepast aan de - in de betreffende school of het betreffende vak heersende - cultuur. Hierdoor worden de ‘passende’ leerlingen (maar ook docenten!) in hun keuze bevestigd en leerlingen die niet passen vallen af.

Mijn data zijn natuurlijk niet verzameld met het doel om deze stelling te verifiëren, maar ik wil op een aparte pagina toch even wat informatie delen over een aspect wat belangrijk is voor de bedoelde ‘aangeboren en opgedane eigenschappen’ van de leerling: namelijk het opleidingsniveau van de ouders.

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.