Zelfoverschatting

Het belangrijkste verschil tussen leerlingen met een hoger dan optimaal relatief zelfbeeld (HRZ) en leerlingen met een optimaal relatief zelfbeeld (ORZ) is dat ze minder accurate terugkoppeling kregen en daardoor dachten dat ze het beter aanpakten dan ze het in werkelijkheid deden. Ze overschatten zichzelf zoveel dat het averechts werkte. (Een kleine mate van zelfoverschatting leidt volgens Bandura juist tot optimale prestaties).

Zelfoverschatting en accurate terugkoppeling

Figuren

LRZ = Lager dan optimaal Relatief Zelfbeeld.
ORZ = Optimaal Relatief Zelfbeeld.
HRZ = Hoger dan optimaal Relatief Zelfbeeld.
(zie ook een optimaal relatief zelfbeeld).

Het relatief N-cijfer is het natuurkunde eindexamencijfer ten opzichte van de algemene capaciteit van de leerling.

Jongens natuurkunde 1,2 en meisjes natuurkunde 1 met een hoger dan optimaal relatief zelfbeeld rapporteerden meer voldoendes voor hun natuurkundetoetsen in de bovenbouw dan normaal. De norm (normaal) wordt hier bepaald door de correlatie tussen het aantal gerapporteerde voldoendes en het eindexamencijfer voor natuurkunde in een bepaalde subgroep. Dus met andere woorden: ze rapporteerden meer voldoendes voor hun toetsen in de bovenbouw dan vergelijkbare leerlingen met een even hoog cijfer voor hun eindexamen.
Jongens en meisjes natuurkunde 1,2 met een hoger dan optimaal relatief zelfbeeld kwamen van scholen waar men (alle natuurkunde 1,2 examenleerlingen van de school samen) relatief hoge cijfers haalde voor hun natuurkunde schoolexamen ten opzichte van het centraal examen.
En we zullen verderop in deze post zien dat jongens natuurkunde 1,2 en meisjes natuurkunde 1 met een hoger dan optimaal relatief zelfbeeld gemiddeld gezien meer lessen zeiden te begrijpen dan die met een optimaal relatief zelfbeeld, terwijl ze toch een lagere algemene capaciteit hadden.
Dit zijn allen bronnen voor self-efficacy (een positief zelfbeeld), zoals beschreven door Bandura (zie de pagina over self-efficacy). In dit geval zorgden deze bronnen dat leerlingen dachten beter werken voor natuurkunde dan ze volgens de norm deden om optimaal te presteren. Ik noem dit ‘zelfoverschatting’.
De (99) jongens natuurkunde 1 met een hoger dan optimaal relatief zelfbeeld moeten andere bronnen van zelfoverschatting hebben gehad dan hun toetsen en de lessen, want hun relatief aantal voldoendes en hun begrip waren echt gelijk aan die van de optimale jongens natuurkunde 1.
Over de meisjes natuurkunde 1,2 met een hoger dan optimaal zelfbeeld kun je niet veel zeggen want het waren er wel erg weinig (28) en daardoor is de statistiek wat wankel. Maar dat ze van scholen kwamen waar relatief makkelijke schoolexamens werden gegeven moet duidelijk zijn, want ondanks het kleine aantal is dit gegeven zeer significant (99% zeker een verschil).

Zelfoverschatting en de docent

Significant

Alleen verschillen, die met 99% zekerheid niet toevallig zijn, worden in de grafiekjes vermeld. Of anders alleen verschillen die bij 2 of meer subgroepen met 95% zekerheid niet toevallig zijn. Normaal wordt de grens gelegd bij 95% zekerheid, maar als je zoveel variabelen vergelijkt, heb je met deze grens een grote kans dat je onterechte verschillen claimt. In de tekst zal ik soms toch informatie geven over minder significante verschillen, omdat die toch van belang kunnen zijn om een tendens te ontwaren. Het gaat hier dan natuurlijk om een subjectieve inschatting van de waarschijnlijkheid dat een statistisch verschil betekenis heeft.

Zichzelf overschattende meisjes natuurkunde 1 rapporteerden (gemiddeld gezien) een nog plezieriger docent dan meisjes natuurkunde 1 met een optimaal zelfbeeld. Dit laat zien dat docenten ook te plezierig konden zijn, zo plezierig dat ze relatief makkelijke toetsen gaven of zo plezierig dat ze deze leerlingen niet op hun fouten wezen (via hun cijfers of door te laten blijken dat deze meisjes de leerstof minder goed begrepen dan ze dachten).
Ook konden docenten van meisjes natuurkunde 1 te enthousiast zijn. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat docenten in hun enthousiasme misschien te veel verhalen vertelden en andere activiteiten ontplooiden, die wel leuk waren, maar die weinig relevante kennis opbrachten. Dit ging dan ten koste van lestijd die aan (minder leuke maar wel noodzakelijke) kenniswerving besteed had kunnen worden. Het kan ook zijn dat te enthousiaste docenten bij deze leerlingen de indruk wekten dat ze het beter deden dan ze het werkelijk deden. Ook weer een bron voor een positief zelfbeeld.

Zelfoverschatting en de achtergrond van de leerling
In alle groepen leerlingen behalve jongens natuurkunde 1,2 hadden de leerlingen met een optimaal relatief zelfbeeld een hogere algemene capaciteit dan de leerlingen die zichzelf overschatten. Een hoge algemene capaciteit maakte het leerlingen waarschijnlijk beter mogelijk om de gekregen terugkoppeling op waarde te schatten. Of misschien hadden docenten ook minder de neiging om hun leerlingen met een hogere algemene capaciteit te beschermen tegen negatieve terugkoppeling en was hun terugkoppeling daardoor accurater.
Bij de jongens natuurkunde 1,2 zie je geen verschil in algemene capaciteit tussen het hoger dan optimaal en het optimaal relatief zelfbeeld. Wel hebben deze jongens natuurkunde 1,2 met een optimaal zelfbeeld vaker een muziekinstrument gespeeld in hun jeugd en dit bespelen van een muziekinstrument blijkt samen te gaan met de capaciteit om een tekst (en vooral de syntax daarvan) nauwkeurig lezen. Ik heb het vermoeden (uit eigen ervaring voor de klas) dat zelfoverschatting bij deze jongens natuurkunde 1,2 vooral voortkwam uit het feit dat ze bij het verwerken van hun leerstof (leren uit een boek of nakijken van de hun opgaven in een nakijkboekje) niet nauwkeurig lazen. Hierdoor concludeerden ze te snel dat de kennis in hun hoofd juist was. Ze zagen fouten over het hoofd en ze lazen datgene wat ze dachten dat er stond. Iets wat we allemaal wel een beetje doen (is het iets natuurkundigs om eigenwijs te zijn?), maar wat bij deze jongens wel heel vaak gebeurde.

Zelfoverschatting en de lesactiviteiten
Jongens natuurkunde 1,2 met een optimaal relatief zelfbeeld hadden vaker dan jongens met een hoger relatief zelfbeeld klassikale lessen waarbij opgaven voor werden gedaan op het bord. In dit soort lessen hadden docenten de mogelijkheid om jongens - die zichzelf overschatten, omdat ze bij het zelf nakijken van opgaven over hun fouten heen lazen - te dwingen hun werk nauwkeurig te bezien en hen daarbij te wijzen op fouten in hun kennis. Een vorm van accurate terugkoppeling los van de toetsen.

  • Alleen reacties op artikelen worden gepubliceerd.
    Persoonlijke berichten (bv aanmelden voor mailinglist) worden als e-mail verwerkt.