Profielen van verschillende soorten bètastudenten.

Uit de data verzameld in de twee vragenlijsten is een profiel te maken van de gemiddelde bètastudent. Hoe representatief dit profiel is voor de werkelijke bètastudent in Nederland kun je lezen in het stuk over de respons of op de blogpost hierover. In de profielschetsen van studenten van verschillende studierichtingen hieronder vind je de karakteristieken van deze studenten in vergelijking tot de gemiddelde bètastudent. Hiervoor zijn alleen de significante verschillen gebruikt.
In de profielen ga ik ervan uit dat de verschillen tussen studenten werkelijk bestaan. Maar verschillen kunnen ook optreden doordat studenten zichzelf verschillend evalueren. Ook hoeft de soort studie niet altijd de oorzaak te zijn voor gemeten verschillen. De locatie van de studie, het aantal studenten binnen de opleiding en ander variabelen, die ik hier niet meegenomen heb, kunnen oorzaak zijn van bepaalde onderdelen in het studentenprofiel. Om de werkelijke oorzaken van profielkarakteristieken te weten te komen, is een diepgaandere analyse van de data en allicht ook aanvullend onderzoek nodig.

Let op! Het gaat hier steeds om gemiddeldes. Een individuele student kan heel anders zijn dan in haar profiel beschreven. De gemiddelde student bestaat waarschijnlijk niet eens.


Kies hier het gewenst profiel:
biologie
biomedisch
bouwkunde
civiele techniek
diergeneeskunde
farmacie
geneeskunde
industrieel ontwerpen
informatica
luchtvaart- en ruimtevaarttechniek
natuurkunde
scheikunde
technische bedrijfskunde
werktuigbouwkunde
wiskunde

Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek [N =45; 38 man (eentje N&G), 7 vrouw (60% N&T); alleen aan de TU Delft].

De mannelijke N&T-luchtvaart- en ruimtevaarttechniekstudent had wat vaker dan anderen een moeder, die haar jeugd in het buitenland had doorgebracht, kwam van een school met relatief makkelijke examens (vooral scheikunde 1,2) en dacht daardoor een hogere algemene capaciteit te hebben dan hij in werkelijkheid had. Elk van hen hield van begrijpen belangrijk en vond natuurkunde op de middelbare school minder vervelend dan andere N&T-studenten. In het eerste studiejaar was hij een gemiddelde mannelijke N&T-student, die vlak voor de deadline meer tijd aan zijn studie, maar ook aan slapen besteedde, zijn studie relatief moeilijk vond, maar toch gemiddeld presteerde.

De (vijf) vrouwelijke N&T-studenten waren allen gymnasiasten met een hoog opgeleide moeder. Ze deden het (gemiddeld gezien) zeker niet beter voor natuurkunde op de middelbare school dan andere vrouwelijke N&T-studenten. Ze werkten er op de middelbare school maar ook tijdens hun studie extreem weinig voor. Ze maakten veel minder oefenopgaven, waren minder actief tijdens hun colleges en bereidden deze ook niet voor. Ze vonden hun studie niet moeilijker dan anderen en hadden een zeer significant lager academisch studiesucces .

De twee vrouwelijke N&G-studenten luchtvaart- en ruimtevaarttechniek deden het echt veel beter (hadden ruim 90% van hun tentamens gehaald met de beste punten). Ze liepen toch maar weinig college en besteedden meer dan 8 uur per week aan huishouden en ook zoveel tijd aan uitgaan/winkelen. Ook hun werkhouding op de middelbare school voor natuurkunde was niet echt extreem goed. Wel waren dit leerlingen die relatief hoge eindexamencijfers hadden, vooral voor natuurkunde. Dit was op een school waar ze relatief hoge SE-cijfers gaven, dus (net als hun mannelijke N&T-collega’s dachten ze beter te zijn dan ze in werkelijkheid waren).
De ene mannelijke N&G-student had maar 50% van zijn tentamens gehaald met hetzelfde hoge gemiddelde punt als de vrouwelijke N&G-studenten. Hij had een relatief lage algemene capaciteit met relatief hoge cijfers voor exacte vakken op de middelbare school.
Informatica
[N=43; 37 man (95% N&T); 6 vrouw (eentje N&G); Eindhoven, Leiden, Utrecht, Delft, Twente, UvA]

De informatica-respondenten waren bijna allemaal van het atheneum. Relatief weinig van hen deed aan sport. Ze hielden van logisch denken en zeer weinig van hen van dagelijkse toepassingen. De N&T-informatici hadden een gemiddelde (de vrouwen tot bijna bovengemiddelde) algemene capaciteit met relatief lage cijfers voor natuurkunde. De vrouwelijke N&T-informatici hadden natuurkunde als relatief moeilijk ervaren - weinig begrepen lessen en relatief moeilijke SE-examens op hun school. Ze hielden alle vijf van puzzelen. Al met al werkten de N&T-studenten niet echt hard voor natuurkunde op de middelbare school.

In hun eerste studiejaar gingen informaticastudenten relatief weinig naar (werk)college en vooral weinig naar praktische activiteiten. Het waren verder redelijk gemiddelde N&T-studenten, behalve dat ze relatief weinig oefenopgaven maakten en hun studie weinig vooruit planden. De mannelijke studenten waren relatief passief tijdens colleges en lazen weinig studiemateriaal. Uiteindelijk hadden alleen de mannelijke N&T-informatici een significant lager studiesucces dan andere mannelijke N&T-studenten.

De twee mannelijke N&G-studenten hoorden op de middelbare school al bij de mindere N&G-leerlingen en ook bij informatica deden ze het bedroevend slecht. Met de tegenwoordige normen zouden ze al weggestuurd zijn. De ene vrouwelijke N&G-informaticastudent was een gemiddelde N&G-gymnasiast met relatief hoge punten voor natuurkunde (!). Beide ouders waren pas later in hun jeugd naar Nederland gekomen. Ondanks dat zij ook meer dan 8 uur per week een baantje had werkte zij voor haar studie hard, had plezier in haar studie en vond het interessant, maar wel wat moeilijk. Toch leek ze het (met iets minder studiesucces dan de gemiddelde N&T-er) goed te redden.
Industrieel ontwerpen
[N=57; 22 mannen en 16 vrouwen N&T, 14 vrouwen en 5 mannen N&G; Delft, Twente, Eindhoven].

Dit waren de studenten die als kind al heel creatief waren. Uitzonderlijk veel van hen gaven aan in hun jeugd veel en graag te hebben getekend. Bij de vrouwelijke studenten was handvaardigheid ook een relatief populaire hobby, wat bij de mannelijke studenten het spelen met constructiespeelgoed was. Op school waren de N&T-leerlingen de leerlingen met een relatief lage algemene capaciteit, minder goed in de exacte vakken, maar gemiddeld in de talen. De N&G-studenten zijn wat algemene capaciteit meer gemiddeld. Daardoor gaat het hier om een studentpopulatie waar de verschillen in exacte capaciteit tussen N&T en N&G, maar ook tussen jongens en meisjes minder groot zijn dan in de rest van de populatie. Iets dergelijks zie je aan de frequentie van het aantal begrepen en interessante natuurkundelessen die deze leerlingen rapporteerden of hun leren op inzicht voor de toetsen. N&T-ontwerpers scoorden relatief laag en N&G-ontwerpers juist hoog, wat dit een behoorlijk homogene groep maakt (zie de blogposts over de natuurkundelessen en de werkhouding van de leerlingen). Echter, de inzet voor natuurkunde buiten de les was ook hier redelijk karakteristiek. Vrouwelijke ontwerpers werkten harder voor natuurkunde dan mannelijke ontwerpers.

In het eerste studiejaar besteedden industrieel ontwerpers relatief veel tijd aan hun studie, relatief veel ten koste van hun slaap in de tijd voor een deadline. Weinigen van hen hadden dan ook tijd om meer dan 8 uur per week voor inkomen te werken. De studieopzet was zodanig anders (veel projectwerk) dan andere studies dat dit samengaat met relatief weinig oefenopdrachten die gemaakt werden. De studenten, waarvan ik het studiesucces kon vergelijken (Twente en Delft), deden het (gemiddeld gezien) zeker niet slechter dan studenten in andere studies.
Natuurkunde
[N=115: 88 man (87 N&T), 22 vrouw (20 N&T), UvA, VU, Nijmegen, Groningen, Delft, Eindhoven, Leiden, Twente, Utrecht]

Vooral de mannelijke natuurkundestudenten hadden een zeer hoge algemene capaciteit en deden het nog beter voor natuurkunde dan voor de rest van de vakken op hun eindexamen. De ouders van deze natuurkundestudenten hadden een relatief hoog opleidingsniveau. Allicht had dit te maken met het feit dat weinig van deze studenten aangaven meer dan 8 uur per week te hoeven werken voor geld in hun eerste studiejaar.
Ze vonden de lessen op de middelbare school vaker interessant en begrepen ze ook vaker, maar werkten voor natuurkunde niet echt anders dan andere N&T-studenten met uitzondering van het feit dat ze voor een toets vaker op inzicht en minder vaak uit het hoofd leerden en dat de vrouwelijke studenten relatief weinig tijd aan hun werk besteedden. Je zou kunnen zeggen dat de vrouwelijke studenten zich hier een beetje als hun mannelijke klasgenoten gedroegen. Deze meisjes rapporteerden ook vaak in hun jeugd - net zo vaak als voor de jongens normaal is - met constructiespeelgoed te hebben gespeeld en ook het bespelen van een muziekinstrument was onder deze studenten relatief populair.
Op de universiteit werkten de mannelijke natuurkundestudenten relatief hard, ze besteedden veel tijd aan hun studie (inclusief het volgen van meer colleges), waren actiever en concentreerden zich beter (binnen en buiten de (werk)colleges).

De vrouwelijke natuurkundestudenten waren best gemiddeld voor vrouwelijke N&T studenten. Op hun eindexamen presteerden ze maar nauwelijks beter (zelfs niet voor natuurkunde), alleen in de onderbouw deden deze meisjes het opvallend goed. Tenminste, dat gaven ze op, maar men moet er wel rekening mee houden dat hun herinnering gekleurd kan zijn, ruim 4 jaar na dato. De vrouwelijke en mannelijke natuurkundestudenten werden op een duidelijk verschillende manier uitgedaagd. Waar de mannelijke natuurkundestudenten uitzonderlijk vaak aangaven uitgedaagd te worden als het moeilijk werd, voelden de vrouwelijk natuurkundestudenten (het deel met onvoldoendes voor natuurkunde op de middelbare school) zich vaker uitgedaagd als ze een onvoldoende haalden. De vrouwelijke natuurkundestudenten werkten in het eerste studiejaar over de hele linie minder dan hun mannelijke collega’s en besteedden relatief vaak 8+ uur per week aan huishouden, lezen en/of muziek maken. Aan de ander kant keken ze minder vaak veel naar de TV.

De mannelijke t.o.v. vrouwelijke natuurkundestudenten deden het significant beter als het om hun academisch succes ging. Natuurkunde lijkt een studie die de mannelijke studenten duidelijk meer stimuleerde en tot hoge prestaties uitdaagde dan de vrouwelijke studenten. Vooral de negen vrouwelijke technisch natuurkunde studenten vonden hun studie het minst interessant en plezierig en het moeilijkst. Hun prestaties lagen verreweg het laagst.

Ook de mannelijke technisch natuurkundestudenten vonden hun studie relatief moeilijk, maar hun interesse en plezier waren daardoor niet minder. Ze werkten wel wat minder hard dan hun niet-technische tegenhangers (ongeveer als de gemiddelde mannelijke N&T-student).
De mannelijke niet-technische natuurkundestudenten haalden hogere eindexamencijfers (vooral voor wiskunde). Hiermee leek hij het meest op de wiskundestudent met wat extra affiniteit voor natuurkunde (en hij had ook vaker natuurkundepracticum, die de wiskundestudenten moesten ontberen). Hij kwam van een school waar in veel vakken maar vooral bij wiskunde B12 uitdagender schoolexamen gegeven werden. Uitdaging in de vorm van relatief moeilijke toetsen lijkt echt essentieel voor deze (mannelijke) studenten.
De technische natuurkundestudent hield meer van dagelijkse toepassingen en werkte minder in het eerste studiejaar. Dit minder hard werken zag je over de hele linie, maar je zag het vooral aan een significant minder actieve studiehouding en het lezen van veel minder studiemateriaal dan hun niet-technische tegenpolen. En daarmee haalden ze nog een bijna even hoog studieresultaat.
Scheikunde
[N=51; 60% man (maar eentje N&G) en 40% vrouw (7 N&G); Utrecht, Groningen, UvA, Twente, VU, Eindhoven]

Deze leerlingen waren, als N&T leerlingen, goed in de exacte vakken, maar ze waren significant beter dan andere N&T-leerlingen bij hun eindexamen scheikunde.

De vrouwelijke N&G-studenten waren van scholen waar de biologie-examens relatief makkelijk waren. Het waren studenten met even hoge cijfers voor de exacte vakken in de onderbouw als de meisjes N&T, dus meisjes die indertijd even goed N&T hadden kunnen kiezen (4 van hen heeft overigens wel scheikunde 1,2 eindexamen gedaan). Ze hielden allemaal van logisch denken en samen met hun relatief hoge scheikundecijfers heeft dit hen gestimuleerd om uiteindelijk scheikunde te gaan studeren. Ze werkten er in hun eerste studiejaar hard voor (deden zelfs nog meer aan practicum dan de gemiddelde vrouwelijke N&G-(geneeskunde)student. Ze werkten wel veel onafhankelijk van anderen, wat misschien samenhangt met het feit dat maar een van hen op kamers woont en de andere 6 relatief tijd per week kwijt is aan pendelen. Als dit een teken is dat ze toch nog onzeker van hun studiekeus waren, dan lijkt dit onterecht.

De vrouwelijke N&T-scheikundigen laten een heel ander profiel zien. Het waren in hun jeugd meisjes die relatief weinig een muziekinstrument speelden en veel sporten. Ze werkten op de middelbare school al niet hard voor natuurkunde ( misschien omdat ze meer aan scheikunde werkten) en vonden, als ze goed waren in natuurkunde, het vak relatief vervelend. Opvallend is echter dat ze op de universiteit op alle vlakken weinig tijd aan hun studie besteedden. Ze gingen wel naar colleges en deden hun practica (maar lang niet zoveel als hun N&G-collega’s). Ik zie geen enkele tijdsbesteding die extra hoog is in de data, ze slapen zelfs relatief weinig. Ik begrijp uit verhalen van (vrouwelijke!) scheikundestudenten (in latere jaren, maar misschien ook al in het eerste jaar) voor practica soms uren moeten wachten en ook ’s nachts op de universiteit moeten zijn. Tijd die dan vooral besteed wordt aan hangen en koffie drinken. Zou dit bovenstaand profiel verklaren? Ze doen het trouwens helemaal niet slecht met een voor meisjes N&T hoog, maar niet significant hoog studiesucces.

Deze vrouwelijke N&T-scheikundigen lopen in hun studie-inzet overal net achter op hun mannelijke N&T-medestudenten, die voor mannelijke N&T-studenten heel gemiddeld werkten. Toch deden deze mannelijke scheikundigen het niet beter (net iets slechter zelfs) dan de vrouwelijke scheikundigen. Zou dit eraan liggen dat relatief veel van hen lager opgeleide ouders hadden en/of slechte cijfers hadden voor Nederlands?
Technische bedrijfskunde
[N =55; 37 man (81% N&T), 18 vrouw (55% N&T); Groningen, Twente, Eindhoven].

De typische bedrijfskundestudenten waren opvallend slecht in Engels (?) en ook slecht in de exacte vakken (man N&T) of deden die op een lager niveau (N&G) en veel van hen kwamen van een middelbare school in een relatief kleine gemeente. En al waren ze niet slecht in Nederlands, lezen was voor relatief weinig van hen een hobby. De mannelijke N&T-bedrijfskundigen waren de gemiddelde N&T-leerlingen bij natuurkunde, de anderen neigden meer naar het profiel van deze mannelijke N&T-er, in de zin dat ze relatief veel lessen interessant vonden en toch niet echt hard voor het vak werkten. Uitzondering hierop waren de vrouwelijke N&G-studenten, die zeker ook veel interessante lessen hadden, maar even hard werkten als andere vrouwelijke N&G-studenten (best hard dus).

Ook in het eerste studiejaar werkten bedrijfskundestudenten zeer weinig. Ze gingen relatief weinig naar (werk)colleges en als ze gingen concentreerden ze zich daar relatief slecht. Ook besteedden zij minder tijd aan hun studie gedurende een normale werkweek. Relatief veel mannelijke N&T bedrijfskundigen werkten meer dan 8 uur per week voor (extra) inkomen en bijna alle vrouwelijke N&T-ers waren meer dan 8 uur per week kwijt aan uitgaan/winkelen.
Ook hier zijn de vrouwelijke N&G-ers (en bepaald niet de vrouwelijke N&T-ers) de uitzondering. Zij werkten gemiddeld voor een vrouwelijke N&G-student en gaven daarbij aan nog meer en beter te lezen dan anderen.

Opvallend is dat alleen de mannelijke N&T-studenten relatief laag presteerden. Niet alleen vergeleken met andere mannelijke N&T-studenten maar zeker vergeleken met de vrouwelijke bedrijfskundestudenten, die het hier opvallend goed doen. Ook de tien vrouwelijke N&T-studenten, die toch echt niet veel inzet toonden.
Biomedische wetenschappen
[N=80: 58 vrouw (79% N&G); 22 man (68% N&G); Leiden (loting), Utrecht (loting), UvA en VU].

Biomedische technologie [N=44: 28 man (75% N&T); 16 vrouw (56% N&T); Twente, Eindhoven].
Omdat het hier om een heel gemêleerde groep studenten gaat - N&G versus N&T; vrouw versus man; technisch versus algemeen wetenschappelijk; loting (Leiden, Utrecht) versus geen loting - is het moeilijk om de karakteristieken van deze studenten (als totale groep) te duiden. De verschillen in karakteristieken tussen deelgroepen worden besproken in mijn blogpagina over de biomedische studies.
Wiskunde
[N=31, 21 man (N&T), 10 vrouw (8 N&T en 2 N&G); Nijmegen, Leiden, Groningen, Delft, UvA, Utrecht, VU]


De jongens, die wiskunde studeerden, waren de jongens met verreweg de hoogste algemene (exacte!) capaciteit van alle respondenten. Vier van deze jongens deden naast wiskunde ook natuurkunde. Bij de meisjes N&T is het verschil in algemene capaciteit niet significant hoog; Acht van de tien kwamen van het gymnasium (met relatief weinig les in natuurkunde) (zie de post over lesuren). De meisjes (N&G hetzelfde als N&T) vonden de studie dan ook relatief moeilijk en significant moeilijker dan de jongens (die de studie juist relatief makkelijk vonden).

Wiskundestudenten komen opvallend vaak van scholen met een significant klein verschil tussen schoolexamen en centraal examen, dus scholen die in hun eigen toetsen relatief hoge eisen stellen voor wiskunde (zie eindexamencijfers). Onder de jongens waar er relatief veel uit klassen met weinig of geen meisjes erin (bij natuurkunde, maar waarschijnlijk ook bij wiskunde en scheikunde). De jongens hadden les van een oudere natuurkundedocent die relatief weinig practicum gaf. De helft van deze wiskundestudenten gaven aan in hun jeugd graag en veel te hebben gepuzzeld, wat voor meisjes significant veel is. Allen hielden van logisch denken en significant weinig van hen zei van dagelijkse toepassingen te houden.

Vooral de jongens woonden nog relatief veel thuis (en waren daardoor veel tijd kwijt aan pendelen). Ze besteedden ook relatief minder 8h+ per week aan uitgaan/winkelen en helemaal niet aan sociale computerspelletjes. Verder werkten ze in hun eerste studiejaar niet signficant anders dan jongens N&T. Alleen besteedden deze wiskunde jongens N&T minder tijd aan hun studie in de week voor een deadline en bereidden hun colleges (nog) minder dan die anderen voor.
Biologie
[N=78, 52 vrouw (77% N&G), 25 man (68% N&G); UvA, Groningen, Leiden, Utrecht, VU]

De biologiestudent (uitgezonderd de vrouwelijke N&T-bioloog) heeft een lagere algemene capaciteit met daar bovenop nog veel lagere natuurkundecijfers dan andere bètastudenten (samengaand met minder begrepen en interessante lessen in natuurkunde). Waarschijnlijk is hun capaciteit (uit interesse?) toch gewoon anders gericht en daardoor beter aangepast aan de biologiestudie dan de exact getinte algemene capaciteit uit dit onderzoek, want deze studenten doen het niet slechter dan anderen in hun eerste studiejaar. Opvallend is dat de mannelijke biologiestudenten indertijd voor natuurkunde eigenlijk op dezelfde manier werkten als vrouwelijke studenten (met zelfs nog iets meer uit het hoofd leren). Mannelijke N&T-biologen gaven weliswaar nog wel aan (net als andere mannelijke N&T-studenten) met constructiespeelgoed te hebben gespeeld, maar de meesten van hen lazen ook graag in hun jeugd (net als de vrouwelijke studenten). Mannelijke N&G-biologen echter lazen relatief weinig, maar speelden (net als de vrouwen) nauwelijks met constructiespeelgoed. Dit niet graag lezen heeft er misschien mee te maken dat 6 van de N&G-studenten aangaven dyslectisch te zijn (wat relatief veel is).

In het eerste studiejaar gingen de mannelijke biologen ongeveer even vaak naar (werk)college en practica en maakten evenveel opgaven als de gemiddelde vrouwelijke en meer dan de gemiddelde mannelijke bètastudent. De vrouwelijke biologiestudenten gaven aan nog meer en beter dan anderen te lezen voor hun studie.
Bouwkunde
[N=71, 41 man (76% N&T), 30 vrouw (73% N&T); Eindhoven, Delft]

De bouwkundestudenten N&T (vooral de vrouwen) scoorden relatief slecht in wiskunde en natuurkunde. De mannelijke N&G-ers scoorden voor (de wat makkelijker versie van) die vakken gemiddeld en de vrouwelijke zelfs bovengemiddeld. Relatief veel bouwkundigen schatten hun eigen intelligentie laag in. Meer dan de helft van de N&G-bouwkundigen en de vrouwelijke N&T-ers tekenden in hun jeugd graag. Veel van de mannelijke N&T bouwkundigen waren misschien niet echt geïnteresseerd in tekenen, maar de meesten van hen en van de andere bouwkundestudenten waren wel degelijk gemotiveerd om op de middelbare school hard aan natuurkunde te werken, omdat het van belang was voor hun toekomst.

Ruim de helft van alle N&T-bouwkundigen werkten in hun eerste studiejaar meer dan 8 uur per week voor (extra) inkomen. Toch besteedden ze gemiddeld genomen nog relatief veel tijd aan hun studie, maar misschien door dat werk wel vaak op hun eentje. Hun studiementaliteit was vergelijkbaar met die van andere N&T-studenten, alleen lazen ze hun studiemateriaal beter. Uiteindelijk was hun academisch studiesucces zeer significant lager dan dat van ander N&T-studenten.
De N&G-bouwkundigen werkten ongeveer even hard als hun N&T-collega’s. De vrouwelijke in dit geval eerder minder dan meer dan de mannelijke. En toch deden deze N&G-ers (vooral de vrouwen) het eerder beter dan slechter dan de N&T-ers. De N&T-ers hadden relatief laag opgeleide ouders (de mannelijke nog lager opgeleide moeders dan de toch al laag opgeleide moeders van de mannelijke N&T-studenten en de vrouwelijke significant lager opgeleide vaders).

Civiele techniek
[N=58, 52 man (88% N&T), 6 vrouw (100% N&T); Twente, Delft]

De mannelijke N&T-respondenten voor civiele techniek hadden een gemiddelde algemene capaciteit voor N&T-mannen met een lager eindexamencijfer voor scheikunde. Relatief veel van hen hadden bij vwo-natuurkunde weinig practicum en zaten in kleine natuurkundeklassen. Ze voelden zich, vergeleken met andere mannelijke N&T-studenten, weinig uitgedaagd door dingen die moeilijk waren. Relatief weinig van hen woonden in het eerste studiejaar bij hun ouders, waren dan ook minder vaak veel tijd kwijt aan pendelen, maar daarentegen weer veel aan kijken naar TV. Ze gingen meer dan andere N&T-studenten naar werkcolleges en practica.

Getuige hun lagere academisch studiesucces was de studie voor de mannelijke N&G-respondenten wat moeilijker, al gaven ze dit niet aan. Dit waren studenten met een lage algemene capaciteit, maar met nog redelijke resultaten voor natuurkunde op de middelbare school. Vijf van hen speelden met constructiespeelgoed en maar een van hen woonde nog bij hun ouders. Verder waren dit ook gemiddelde studenten.
De 6 vrouwelijke (N&T-)civiele techniek studenten deden het een stuk beter in hun studie dan de mannen. Dit waren ook studenten met een relatief hoge algemene capaciteit en veel van hen kwamen van scholen met relatief makkelijke examens voor natuurkunde 1,2 (zie ook biologenwerk) en relatief weinig meisjes in hun (natuurkunde)klas. Hun studiementaliteit was redelijk gemiddeld voor N&T-vrouwen, alleen hadden ze een wat groter concentratievermogen.
Diergeneeskunde
[N=55; 43 vrouw (88% N&G), 11 man (72% N&G); Utrecht]

De vrouwelijke N&G-respondenten voor diergeneeskunde, tekenden relatief graag, maar speelden minder vaak een muziekinstrument en lazen ook minder. Ze werkten gemiddeld (dus best hard) voor natuurkunde op de middelbare school en relatief veel op inzicht, ze hadden echter relatief weinig natuurkundelessen in de bovenbouw. In hun eerste studiejaar pendelden er relatief veel van hen meer dan 8 uur per week, terwijl een normaal percentage voor vrouwelijke N&G-studenten (50%) op kamers woonden. Zou het zo zijn dat ze vaker naar huis moesten voor hun paard?
De vrouwelijk N&T-respondenten waren redelijk gemiddelde vrouwelijke N&T-studenten, die relatief hard werkten voor natuurkunde.
De mannelijke N&G-respondenten hadden op de middelbare school uitzonderlijk vaak interessante natuurkundelessen. Geen van hen woonden nog bij hun ouders, terwijl de (2 van de 3) mannelijke N&T-respondenten nog thuis woonden.

Al deze respondenten vonden hun studie uitzonderlijk interessant en plezierig. En vooral de N&T-studenten hadden een hoog academisch studiesucces. Vooral de vrouwelijke N&G-diergeneeskundestudenten werkten er ook zeer hard voor, veel (werk)colleges volgen, veel tijd aan de studie besteden en goede studiementaliteit.
Farmacie
[N=72; 49 vrouw, 23 man (74% N&G); Utrecht, Groningen, VU]

Dit waren (met uitzondering van de vrouwelijke N&T studenten) leerlingen die het relatief slecht deden in natuurkunde op de middelbare school. Farmacie lijkt een studie te zijn voor de wat meer onafhankelijke student, getuige het feit dat (vooral de N&G-vrouwen en N&T-mannen) relatief veel op kamers woonden en veel voor hun studie lazen, de mannelijke farmaceuten een relatief onafhankelijke studiementaliteit zeiden te hebben en de N&T-farmaceuten eigenlijk vooral op hun eentje studeerden.

De minderheid van mannelijke farmaciestudenten kwam van een school in een relatief kleine gemeente. De 6 mannelijke N&T studenten deden in hun jeugd allemaal aan sport en 5 van hen sportten in het eerste studiejaar meer dan 8 uur per week. De manier waarop de studie aangepakt werd - extreem weinig tijd besteden aan de studie; zeer onafhankelijk werken en relatief veel lezen - wijst erop dat het hier om studenten ging die farmacie kozen omdat deze studie hen de tijd en ruimte bood om te sporten, terwijl ze toch nog goede resultaten konden halen (ze zijn eerder beter dan slechter dan andere farmaciestudenten). Ook de mannelijke N&G-farmaciestudenten hadden een relatief onafhankelijke studiementaliteit en besteedden relatief weinig tijd aan hun studie (maar minder duidelijk en met minder succes dan de N&T-ers).

De vrouwelijke farmaciestudenten waren de meer gemiddelde vrouwelijke studenten in deze dataset. Het waren studenten die in hun jeugd relatief weinig aan handvaardigheid deden (N&G) of met constructiespeelgoed speelden (N&T). Ze waren aanwezig bij relatief veel colleges en praktisch werk. Alleen bij de vrouwelijke N&G- farmaceuten waren er relatief veel die weinig naar werkcollege gingen en deze studenten zeggen zich tijdens de colleges ook niet echt goed te concentreren. Opvallend is dat deze vrouwelijke farmaceuten, al besteedden ze meer tijd aan de studie dan de mannelijke farmaceuten, het zeker niet beter deden.
Geneeskunde
[N=344: 273 vrouw (84% natuurkunde 1); 71 man (52% natuurkunde 1); Rotterdam, Nijmegen, UvA, Groningen, Leiden, VU, Utrecht, Enschede (technisch, N=32)]

De geneeskundestudenten kwamen relatief vaak van een gymnasium uit een grote gemeente en hadden een hogere algemene capaciteit {uitgezonderd de mannelijke N&G geneeskundestudenten, die het in hun eerste studiejaar toch niet slechter deden dan hun vrouwelijke tegenhangers}. De geneeskundestudent vond zichzelf ook intelligenter dan anderen - meer zelfvertrouwen? - maar vooral bij de vrouwelijke N&T en de mannelijke N&G studenten overdreven ze dit. {Dit ‘overdrijven’ betekent dat deze studenten zichzelf als intelligenter beschouwden dan vergelijkbare studenten met dezelfde algemene capaciteit - had dit iets met een uitzonderingspositie te maken?}. De vrouwelijke N&G-studenten kwamen van scholen waar men relatief hoge schoolexamencijfers haalde (vooral voor natuurkunde en wiskunde) - dit lijkt logisch te zijn als je selecteert op cijfers bij een numerus fixus, maar bij N&T zie je juist dat de geneeskundestudenten van scholen kwamen die juist relatief lage schoolexamencijfers gaven. Vooral de vrouwelijke N&T-studenten lijken de echt goede leerlingen te zijn geweest die, in tegenstelling tot de andere geneeskundestudenten, ook in de onderbouw al hoge cijfers haalden en die zich uitgedaagd voelden door moeilijkere toetsen.
Door de loting waren cijfers op de middelbare school de grote motivatie om hard te werken (89% van hen meldden dat cijfers de motivatie was om hard te werken voor natuurkunde).

In het eerste studiejaar woonden relatief veel (54%) geneeskundestudenten op kamers en ruim 60% van hen besteedde 8+uur per week aan uitgaan/winkelen wat voor mannelijke studenten - die dat ook deden - uitzonderlijk veel is; computerspelletjes waren minder populair.
Vooral de N&T- studenten gaven aan dat ze relatief weinig hulp zochten als ze vastliepen bij de studie. Ook studeerden geneeskundestudenten (met uitzondering van de mannelijke N&G-studenten!) relatief veel alleen. De mannelijke geneeskundestudenten werkten in het eerste studiejaar niet echt anders dan andere mannelijke studenten alleen de N&T-ers onder hen waren nog net wat minder actief bezig tijdens (werk)colleges. De vrouwelijke geneeskundestudenten bereidden zich relatief meer voor op colleges en de N&G-ers onder hen concentreerden zich beter op hun studie en maakten meer opgaven dan andere studentes N&G. De geneeskundestudenten (mannelijk en vrouwelijk) vonden hun studie interessanter dan anderen hun studie vonden, alleen de tien vrouwelijke N&T-studenten die technische geneeskunde studeerden vonden hun studie duidelijk minder interessant. N&T-geneeskundestudenten (vooral de vrouwelijke) vonden hun studie makkelijker dan N&G-geneeskundestudenten en deden het ook beter.
Werktuigbouwkunde
[N=119, 114 man (93% N&T), 5 vrouw (60% N&T); Eindhoven, Twente, Delft]

De werktuigbouwkunde student had relatief vaak zijn hele jeugd in Nederland doorgebracht en hij had een lager opgeleide moeder dan anderen. De mannelijke studenten onder hen waren zelfs voor mannen nog relatief slecht in Nederlands en Engels. Ze waren voor natuurkunde niet echt beter bij hun examen en zelfs wat slechter voor de proefwerken dan op grond van hun algemene capaciteit te verwachten was.
De 10 N&G-studenten, de enige studenten die biologie in hun pakket hadden op de middelbare school, scoorden voor dat vak extreem slecht. De mannelijke N&T-werktuigbouwers kwamen relatief vaak van scholen die compex-examen hadden en waar ze in de klas zaten met nog net wat vaker dan anderen een mannelijke docent en weinig of geen meisjes. Relatief veel van hen (81%) gaven aan in hun jeugd met constructiespeelgoed te hebben gespeeld. Handvaardigheid was ook nog relatief populair, maar puzzelen (de hobby voor de wiskundigen) juist niet.

De werktuigbouwkundestudenten gingen bijna naar alle werkcolleges (dit was relatief veel voor mannelijke studenten, maar normaal voor vrouwelijke studenten). Ze besteedden echter in een normale week maar relatief weinig tijd aan hun studie, ze lazen hun studiemateriaal maar matig (in kwantiteit en kwaliteit) en ze studeerden relatief vaak met anderen samen.

De drie vrouwelijke N&T-studenten (deze wel met hoog opgeleide moeders!) gaven allen aan meer dan 8 uur per week te sporten in hun eerste studiejaar en meldden een relatief jonge (mannelijke) leerkracht te hebben gehad voor natuurkunde op de middelbare school. Ze leken in studiehouding en ook hun lage scores voor Engels erg op hun mannelijke studiegenoten, hadden relatief veel plezier in hun studie, maar presteerden iets minder dan andere vrouwelijke N&T-studenten (meer op het niveau van de N&G-ers dan op het niveau van de mannelijke N&T-ers).